Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
08-6022 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar door College terecht -zij het op onjuiste gronden- niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 28 augustus 2007 is een besluit (als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb) inzake de procedure ter voorbereiding van het besluit van het College op de aanvraag van appellante en appellante wordt daardoor los van het te nemen besluit op de aanvraag niet rechtstreeks in haar belang getroffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Algemene wet bestuursrecht 4:15
Algemene wet bestuursrecht 6:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/105
RSV 2011/154
NJB 2011, 700
AB 2011/309 met annotatie van H.E. Bröring
ABkort 2011/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6022 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2008, 08/91 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Beekelaar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 november 2010. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 13 augustus 2007 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Bij brief van 27 augustus 2007 is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 28 augustus 2007 op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). Omdat appellante op 28 augustus 2007 zonder bericht niet is verschenen, heeft de DWI op 28 augustus 2007 een nieuwe brief aan appellante gezonden met de volgende inhoud:

“De behandeling van uw aanvraag is opgeschort wegens het niet verschijnen op de oproep. Op vrijdag 31 augustus 2007 om 09.00 uur verwachten wij u alsnog op het genoemde kantoor. Als u geen of onvoldoende gevolg geeft aan deze brief kunnen wij besluiten uw aanvraag niet verder te behandelen (art.4:5 lid 1 Awb).

U dient het volgende mee te nemen:

* een geldig identiteitsbewijs (paspoort / identiteitskaart / verblijfsdocument)

* bank- en/of giroafschriften van alle rekeningen waarover u beschikt (inclusief spaarrekeningen) van de laatste 6 maanden.

U dient zich met deze brief te melden bij de receptie.”

1.2. Appellante heeft tegen de brief van 28 augustus 2007 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 28 november 2007 heeft het College dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 28 augustus 2007 niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 28 november 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen, waarbij met eiseres op appellante wordt gedoeld:

“(…) De beslissing om aanvulling te verlangen is aan te merken als een procedurebeslissing, genomen in het kader van de voorbereiding van het te nemen besluit op de aanvraag van eiseres. Nu eiseres hierdoor niet rechtstreeks in haar belang is getroffen, is die beslissing - gelet op artikel 6:3 van de Awb - niet vatbaar voor bezwaar of beroep. De rechtbank overweegt voorts dat, door eiseres uit te nodigen de aanvraag aan te vullen, de beslistermijn van 8 weken overeenkomstig artikel 4:15 van de Awb wordt opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank strekt ook dit opschorten slechts ter voorbereiding van het op de aanvraag van eiseres te nemen besluit. Dat eiseres langer in onzekerheid verkeert over het lot van haar aanvraag, brengt niet met zich mee dat zij door dat uitstel rechtstreeks in haar belang is getroffen (zie onder andere Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 april 2002, LJN: AE6046). Eiseres kon het bovendien op een eventueel besluit tot het niet behandelen van haar aanvraag laten aankomen en daartegen rechtsmiddelen instellen. (…).”

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat zij door de opschortingsbeslissing rechtstreeks in haar belangen is getroffen, dat de wettelijke beslistermijn is opgerekt, dat zij daardoor niet alleen pas later duidelijkheid verkreeg over haar inkomenspositie maar ook pas later de haar toekomende gelden kreeg uitbetaald, dat de opschorting een voorwaarde vormt om tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag over te gaan zodat de opschorting op rechtsgevolg is gericht. Het College heeft zich kortweg geconformeerd aan het oordeel van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.1.2. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

4.1.3. Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4.1.4. Artikel 6:3 van de Awb bepaalt dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

4.2. De beslissing waarbij het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid stelt een aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen, is een besluit. Zij leidt immers tot een (nieuwe) verplichting voor de aanvrager, die berust op het standpunt van het bestuursorgaan dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om tot een - zorgvuldig voorbereid en deugdelijk onderbouwd - besluit te komen. Anders dan het College heeft aangenomen dient de brief van 28 augustus 2007 dan ook te worden aangemerkt als een besluit.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de brief van 28 augustus 2007 een besluit (als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb) is inzake de procedure ter voorbereiding van het besluit van het College op de aanvraag van appellante en dat appellante daardoor los van het te nemen besluit op de aanvraag niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. Het in de brief van 28 augustus 2007 vervatte besluit kan immers in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag - ten volle - worden aangevochten. Dat een besluit als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb tot gevolg heeft dat de beslistermijn wordt opgeschort, leidt evenmin tot het oordeel dat appellante door het in de brief van 28 augustus 2007 vervatte besluit los van het te nemen besluit op de aanvraag in haar belang wordt getroffen. In het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag kan immers ook (vertragings)schade worden gevorderd.

4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen brengt mee dat de brief van 28 augustus 2007 niet voor bezwaar vatbaar is en dat het College het bezwaar van appellante tegen die brief terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.5. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak moet daarom, met aanvulling van gronden, worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

IJ