Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
10-4248 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkeringtoe te kennen. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld en niet zijn onderschat. Uit de beschikbare medische informatie zijn geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven voor de conclusie dat appellante op de datum in geding, zijnde

11 augustus 2008, meer beperkt was dan het Uwv in bezwaar heeft aangenomen. Appellante wordt geschikt geacht tot het verichten van de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4248 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2010, 09/1463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.C.L.J. Verhoeven, advocaat te Schijndel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011. Appellante is niet verschenen. In een schrijven van 11 januari 2011 heeft mr. Verhoeven aan de Raad meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Desgevraagd heeft mr. Verhoeven verklaard niet meer als gemachtigde van appellante in deze zaak op te treden.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf 1 juli 2006 werkzaamheden verricht als logistiek medewerker via een uitzendbureau. Zij is in augustus 2006 uitgevallen wegens oogklachten. Op 1 juli 2008 heeft zij een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Ten behoeve van de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid heeft de verzekeringsarts N.A. Bayat een onderzoek ingesteld. Hij heeft appellante op 20 augustus 2008 gezien op zijn spreekuur, het dossier bestudeerd en kennis genomen van informatie van de oogartsen G. Postma en A. Ossewaarde-van Norel van respectievelijk 6 november 2007 en 15 februari 2008. Hierna is Bayat tot de conclusie gekomen dat een recidief van de oogaandoening van appellante binnen zes maanden vanaf de aanvang van haar werkzaamheden zeker was te verwachten.

1.3. Bij besluit van 12 september 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 11 augustus 2008 geen recht heeft op een WIA-uitkering, aangezien te verwachten was dat zij binnen een half jaar na de start van haar werkzaamheden ziek zou worden.

1.4. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 12 september 2008 ingediende bezwaar is het Uwv tot herbeoordeling van dit besluit overgegaan en is nader onderzoek verricht. Daartoe heeft de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen in januari 2009 het dossier bestudeerd, appellante op de hoorzitting gezien en nadere informatie opgevraagd bij de behandelend oogarts Postma. Mede op grond van de verkregen aanvullende informatie van Postma van 11 februari 2009 is de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 9 maart 2009 tot de conclusie gekomen dat de uitval van appellante bij aanvang van de verzekering niet duidelijk binnen een half jaar te verwachten was. Zij acht appellante met haar visus tot allerhande handelingen in staat en constateert dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is voor het aannemen van beperkingen ten aanzien van fysieke omgevingseisen. Zij stelt vast dat de functionele mogelijkhedenlijst, zoals die werd opgesteld door de primaire verzekeringsarts, kan worden gehandhaafd.

1.5. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg op 13 maart 2009 gerapporteerd. Hij heeft nieuwe functies geduid aangezien hij de primair geduide functies niet passend achtte. Omdat appellante ter bescherming van haar ogen vaak een donkere bril moet dragen zijn functies waarbij primair klantcontact als hoofdtaak voorkomt niet geschikt te achten. Op grond van de wel geschikt geachte functies is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%.

1.6. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 13 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 september 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante met de vastgestelde beperkingen terecht niet in staat geacht haar werkzaamheden als logistiek medewerker te verrichten vanwege het in die functie voorkomende beeldschermwerk. De rechtbank acht appellante echter, met inachtneming van de vastgestelde beperkingen, wel in staat tot het vervullen van bepaalde functies die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor haar geschikt zijn geselecteerd en waarop de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd. Hieruit volgt dat het Uwv de bij appellante op en na 11 augustus 2008 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en dat terecht is geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen.

3. In hoger beroep is namens appellante wederom aangevoerd dat de medische beperkingen in verband met haar oogklachten zijn onderschat. Appellante lijdt aan uveïtis, een chronische aandoening die kan recidiveren en een zeer wisselend verloop kent. Appellante is van mening dat de problemen die zij ondervindt niet kunnen worden verholpen door het dragen van een bril met aan de zijkanten doorlopend glas, omdat een goede ventilatie noodzakelijk is. Verder is het appellante niet duidelijk hoe zij haar ogen met een speciale bril kan beschermen tegen fel licht, zodat zij de geduide functies kan vervullen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld en niet zijn onderschat. Uit de beschikbare medische informatie zijn geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven voor de conclusie dat appellante op de datum in geding, zijnde

11 augustus 2008, meer beperkt was dan het Uwv in bezwaar heeft aangenomen. Hiertoe merkt de Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen nadere informatie heeft opgevraagd over onder andere het beloop van de visus, over de adviezen ten aanzien van de visuscorrectie en ten aanzien van autorijden. Naar aanleiding van de constatering dat de visus van beide ogen afzonderlijk al 0,5 bedraagt heeft zij vastgesteld dat appellante met haar visus tot allerhande handelingen in staat kan worden geacht. Een wetenschappelijke onderbouwing voor het aannemen van beperkingen ten aanzien van de fysieke omgevingseisen is er naar het oordeel van Heeskens-Reijnen niet. Hinder van fel licht kan naar haar oordeel voldoende worden voorkomen door het dragen van een goede zonnebril.

4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grieven van appellante verwijst de Raad naar de rapportage van de arbeidsdeskundige J.A.F. Frijburg van 13 maart 2009. Hieruit volgt dat de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), parkeercontroleur (sbc-code 342022), medewerker tuinbouw (sbc-code 111010), alsmede die van huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en bode-bezorger (sbc-code 315140) per 11 augustus 2008 passend geacht worden voor appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de geselecteerde functies besproken met de bezwaarverzekeringsarts. Specifiek is daarbij aandacht besteed aan de problematiek ten aanzien van de ogen. Uit dit overleg zijn geen problemen naar voren gekomen die het functioneren in de geselecteerde functies niet mogelijk zouden maken.

In de rapportage van Frijburg zijn de signaleringen die zijn aangegeven in het “Resultaat functiebeoordeling” naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht.

De Raad onderschrijft niet de stelling van appellante dat zij niet in staat is tot het vervullen van de functie van medewerker tuinbouw in verband met het risico van recidief door onder meer tocht of enorme temperatuurverschillen en/of bukkend werk. Verwezen wordt in dit verband naar de toelichting bij de geselecteerde functies, waarbij de bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven dat de ogen voor tocht beschermd kunnen worden met een algemeen verkrijgbare bril met aan de zijkanten doorlopend glas, zodat de ogen zijn afgeschermd van sterke luchtverplaatsing, maar niet van enige ventilatie. Verder is aangegeven dat het bij de vervulling van de functie medewerker tuinbouw mogelijk is een bril te dragen tegen te fel licht, als dat al zou voorkomen in die functie. Er is hierbij geen sprake van een knelpunt. Ook qua bukbelasting is die functie passend te achten.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

NK