Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
08-6839 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering. Geen sprake van verjaring. Geen schending vertrouwensbeginsel. Geen dringende reden. Niet kan worden gezegd dat de terugvordering, mede gelet op het bedrag van de terugvordering, in dit geval leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6839 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 oktober 2008, 07/1097 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. de Muinck, werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 13 juni 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2005 tot en met 31 januari 2006 herzien aan de hand van de - nog niet eerder gekorte - inkomsten van appellante uit arbeid en uit ziektewetuitkering, en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 375,68.

1.3. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2007 gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit herroepen in die zin dat het bedrag van de terugvordering nader wordt vastgesteld op € 300,87.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onjuiste grondslag van de herziening, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten. Tevens zijn bepalingen gegeven ter zake van het griffierecht en de proceskosten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de omvang van het geding overweegt de Raad dat ter zitting van de Raad is gebleken dat de intrekking van de bijstand niet langer in geschil is. Evenmin is nog in geschil de hoogte van het door het College berekende bedrag van de terugvordering.

4.2. Nu de intrekking van de bijstand niet langer in geding is, staat vast dat aan appellante over de in geding zijnde maanden tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Gelet daarop was het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot terugvordering van de kosten van de teveel verleende bijstand. Het standpunt van appellante dat zij pas (ongeveer) anderhalf jaar na afloop van de periode waarover de inkomsten zijn ontvangen met een terugvorderingsbesluit is geconfronteerd kan aan die bevoegdheid niet afdoen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren. Dat is hier niet aan de orde.

4.3. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Dat van die bevoegdheid gebruik is gemaakt ongeveer anderhalf jaar na de periode in geding is daarvoor ook in dit verband niet voldoende. Voorts is niet gebleken van enig handelen of nalaten van de kant van het College waaraan appellante de gerechtvaardigde verwachting had kunnen ontlenen dat ten aanzien van de in geding zijnde inkomsten geen of niet ten volle gebruik zou worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering.

4.4. Het College voert ter zake van terugvordering het beleid dat van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt en dat van het nemen van een terugvorderingsbesluit wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 50,-- of sprake is van een dringende reden. Evenals het College en de rechtbank, is de Raad van oordeel dat een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zich in dit geval niet voordoet. De stelling van appellante dat, als er al sprake is van verwijtbaarheid aan haar kant, het dan gaat om een zeer geringe verwijtbaarheid en dat voorts sprake is van een in verhouding tot de hoogte van haar inkomen zware financiële belasting, biedt onvoldoende grondslag om een dringende reden aan te nemen. Niet kan worden gezegd dat de terugvordering, mede gelet op het bedrag van de terugvordering, in dit geval leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen voor appellante.

4.5. Appellante heeft nog naar voren gebracht dat in dit geval niet kan worden gesproken van de - door de rechtbank wel aangenomen - situatie dat na de vernietiging van het besluit op bezwaar rechtens nog slechts één besluit mogelijk was. Ook dat standpunt treft geen doel. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op toereikende wijze gemotiveerd dat een nieuw besluit op bezwaar tot dezelfde uitkomst zou leiden, gelet op de door de rechtbank vastgestelde bevoegdheden van het College tot intrekking en terugvordering van bijstand en het ontbreken van dringende redenen om van gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering af te zien.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

IJ