Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
10-3258 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de aangepaste FML. Het standpunt van appellante dat zij meer beperkt is wat betreft haar rug, knieën en elleboog is niet onderbouwd met objectief-medische gegevens. De geselecteerde functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3258 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010, 09/1044 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in januari 1987 met knieklachten uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster en in oktober 1987 volledig hersteld verklaard. Het Uwv heeft aan appellante, na andermaal uitval met ingang van 14 december 1987, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend met ingang van 12 december 1988 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 3 december 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 2 februari 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts verdergaande beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van knielen, hurken en rugbelastende momenten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante op zorgvuldige en juiste wijze vastgesteld. Appellante moet in staat worden geacht de voorgehouden functies te vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer en verdergaande medische beperkingen heeft en dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Appellante heeft, onder verwijzing naar een röntgenverslag 4 december 2008, gesteld dat ten tijde van de datum in geding reeds sprake was van slijtage van rugwervels. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij met haar knieprothese niet in staat is om te hurken en te knielen omdat dit pijnlijk is. Ook heeft zij inmiddels een chronische tenniselleboog. Appellante heeft een brief overgelegd van 12 april 2010, waarin haar behandelaar, orthopedisch chirurg P.F. Schillemans, schrijft dat de meeste patiënten met een totale knieprothese moeite zullen hebben met extreme flexie zoals bij hurken en dat het knielen vaak als bijzonder onaangenaam wordt ervaren.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is van oordeel dat door de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapportages van 29 januari 2009, 31 augustus 2009, 16 augustus 2010 en 22 november 2010 voldoende overtuigend is gemotiveerd dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanleiding gezien om de door de primaire arts vastgestelde belastbaarheid te herzien en heeft op 29 januari 2009 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast ten aanzien van de items staan, lopen en traplopen. De bezwaarverzekeringsarts heeft een extra toelichting gegeven in de FML op het item knielen en hurken, in die zin dat appellante incidenteel iets van de grond kan rapen. Tevens heeft zij verdergaande beperkingen aangenomen ten aanzien van bijzondere rugbelastende momenten (buigen en gebogen werken). In hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de aangepaste FML. Het standpunt van appellante dat zij meer beperkt dient te worden geacht wat betreft haar rug, knieën (zowel links als rechts) en elleboog is naar het oordeel van de Raad niet onderbouwd met objectief-medische gegevens.

Uit de overgelegde brieven van orthopedisch chirurg Schillemans kan niet worden afgeleid dat appellante in het geheel niet in staat is om te hurken en te knielen. De Raad verwijst naar de brief van 22 april 2008 waarin Schillemans schrijft dat er op medische gronden geen bezwaar kan worden gemaakt tegen werkzaamheden waarbij zitten en het lopen van korte afstanden verlangd wordt en naar de brief van 30 januari 2009, kort na de in geding zijnde datum 3 december 2008, waarin hij schrijft dat het op dit moment (eindelijk) goed gaat met appellantes totale knieprothese links. De door appellante overgelegde brief van Schillemans van 12 april 2010, werpt geen ander licht op haar medische situatie op de datum in geding. Overigens schrijft Schillemans in laatstgenoemde brief dat de knieprothese van appellante objectief niet beter of slechter functioneert dan bij de gemiddelde patiënt met zo’n prothese.

De Raad kan zich voorts niet verenigen met het standpunt van appellante dat met de slijtage van haar rugwervels geen rekening is gehouden bij de schatting. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage 29 januari 2009 melding gemaakt van de röntgenfoto van 4 december 2008 en heeft in de gevonden afwijkingen aan de rug aanleiding gezien verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van bijzondere rugbelastende momenten.

Ten slotte kan uit de brief van sportarts Z. Fokke van 9 juli 2009 niet de conclusie worden getrokken dat appellante op de datum in geding beperkingen ondervond als gevolg van een tenniselleboog. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat noch uit het rapport van de verzekeringsarts van 30 juni 2008, noch uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 januari 2009 blijkt van een melding van elleboogklachten. Tijdens de op 15 december 2008 gehouden hoorzitting heeft appellante evenmin melding gemaakt van deze klacht en in het overgelegde huisartsjournaal wordt niet vermeld dat appellante de huisarts heeft geraadpleegd terzake van elleboogklachten.

4.3. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.

4.4. Aan de schatting zijn in de bezwaarprocedure uiteindelijk de functies wikkelaar (sbc-code 267050), administratief medewerker (beginnend) (sbc-code 315090) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) ten grondslag gelegd. De Raad ziet geen aanleiding om de geduide functies voor appellante te zwaar te achten. De Raad wijst in dit verband op het rapport van 2 februari 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen, waarin hij per geduide functie heeft gemotiveerd dat de belasting daarvan voor appellante niet te zwaar is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft toegelicht dat het aspect knielen en hurken in de geselecteerde functies slechts een incidenteel karakter heeft. Uit de nadere rapportage van 16 augustus 2010 van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek blijkt dat zij samen met de bezwaararbeidsdeskundige naar de belasting in de functies heeft gekeken, met name op het item knielen en hurken, en dat de functies als passend zijn beschouwd omdat het knielen of hurken in de functies zeer incidenteel en zeer kortdurend per dag voorkomt. De Raad is van oordeel dat met de gegeven toelichting de passendheid van de geselecteerde functies afdoende is beantwoord.

5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat deze uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

IvR