Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
10-2499 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het door appellante ingenomen standpunt dat zij ten hoogste 7,2 uur per week kan werken. Met betrekking tot de stelling van appellante dat Kemperman haar verdacht van bewust onderpresteren merkt de Raad op dat deze stelling feitelijke grondslag mist. Voorts overweegt de Raad dat in het rapport van Kemperman inderdaad niet wordt verwezen naar het verzekeringsgeneeskundig protocol beroerte. Dat hoeft ook niet, reeds omdat dit protocol zich slechts tot verzekeringsgeneeskundigen van het Uwv richt en niet tot een deskundige als Kemperman. Ten slotte is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Egbers in zijn rapport van 12 augustus 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de eerder naar aanleiding van het rapport van Kemperman vastgestelde beperking ten aanzien van een “hectische prikkelrijke omgeving” – meer precies – is vertaald naar een beperking in conflicthantering. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen medisch deskundige zal benoemen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de daaraan ten grondslag gelegde functies voor appellante passend zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2499 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 maart 2010, 09/2527 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 26 mei 2010 zijn de beroepsgronden ingediend, bij brief van 27 mei 2010 is nadere informatie toegezonden en bij brief van 30 december 2010 heeft appellante de Raad nog enkele stukken doen toekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij was gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 28 juni 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011.

Voor appellante is verschenen mr. M.A.M. Verspagen, kantoorgenoot van mr. Van Deuzen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 15 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 7 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 januari 2009 gegrond verklaard, in die zin dat haar WAO-uitkering per 15 maart 2009 ongewijzigd blijft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, maar dat deze met ingang van 9 november 2009 wordt gebaseerd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante per 9 november 2009 door bezwaarverzekeringsarts Egbers niet onjuist is ingeschat. Niet gebleken is dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat, gelet op het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Bootsma van 4 september 2009, de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies passend zijn te achten voor appellante. Nu sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van ongeveer 25,75% is de WAO-uitkering van appellante terecht per 9 november 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat het Uwv aan het bestreden besluit een onjuiste medische beoordeling ten grondslag heeft gelegd en haar belastbaarheid niet juist heeft weergegeven. Zo meent het Uwv ten onrechte dat appellante halve dagen kan werken, waar eerder een verdergaande duurbeperking werd aangenomen. Voorts heeft de door het Uwv geraadpleegde zenuwarts C.J.F. Kemperman in zijn rapport van 16 november 2007 appellante ten onrechte verdacht van bewust onderpresteren en is ten onrechte in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 augustus 2009 niet als beperking aangenomen dat appellante niet kan werken in een prikkelrijke omgeving. Ter zitting is namens appellante hieraan nog toegevoegd dat uit het rapport van Kemperman niet blijkt dat hij gebruik heeft gemaakt van het verzekeringsgeneeskundig protocol beroerte. Ten slotte is gesteld dat het Uwv ten aanzien van appellante het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft geschonden, nu appellante in eerdere procedures tegen het Uwv in het gelijk is gesteld.

2.2. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van de aandoening van appellante op verantwoorde wijze zijn vastgesteld.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gegeven. Daarin heeft de rechtbank (in rechtsoverweging 3.5 en 3.6) uitvoerig gemotiveerd dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van

12 augustus 2009, gelet op de standaard verminderde arbeidsduur en de expertise van Kemperman, een afdoende gemotiveerd standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de duurbeperking van appellante. De Raad stelt zich achter deze overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het door appellante ingenomen standpunt dat zij ten hoogste 7,2 uur per week kan werken. Met betrekking tot de stelling van appellante dat Kemperman haar verdacht van bewust onderpresteren merkt de Raad op dat deze stelling feitelijke grondslag mist. De Raad verwijst naar de bladzijden 11 en 21 van het rapport van Kemperman. Voorts overweegt de Raad dat in het rapport van Kemperman inderdaad niet wordt verwezen naar het verzekeringsgeneeskundig protocol beroerte. Dat hoeft ook niet, reeds omdat dit protocol zich slechts tot verzekeringsgeneeskundigen van het Uwv richt en niet tot een deskundige als Kemperman. Overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het rapport van Kemperman niet aan de daaraan te stellen eisen zou voldoen. Ook de stelling van appellante dat het Uwv het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft geschonden leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in het verleden anders is beoordeeld, moge zo zijn, dat betekent echter niet dat het Uwv de bevoegdheid kan worden ontzegd tot een herbeoordeling van appellante over te gaan en de WAO-uitkering met ingang van een toekomende datum te herzien naar een andere arbeidsongeschiktheidsklasse, mits uiteraard deze beoordeling voldoet aan de daaraan te stellen eisen, wat naar het oordeel van de Raad het geval is. Ten slotte is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Egbers in zijn rapport van 12 augustus 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de eerder naar aanleiding van het rapport van Kemperman vastgestelde beperking ten aanzien van een “hectische prikkelrijke omgeving” – meer precies – is vertaald naar een beperking in conflicthantering. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen medisch deskundige zal benoemen.

3.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de daaraan ten grondslag gelegde functies voor appellante passend zijn te achten.

3.3. Uit de overwegingen 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EK