Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
10-1313 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAO-uitkering per 18 maart 2006. 2) Weigering WAO-uitkering, aangezien de gemelde toeneming van arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekte-oorzaak als die ter zake waarvan appellante de per 18 maart 2006 ingetrokken WAO-uitkering heeft ontvangen en dat bijgevolg per 2 mei 2006 geen wachttijd van (slechts) vier weken gold. Amber. Loskoppeling WIA-aanvraag. Werksimulator. Arbeidsexploratie-onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1313 WIA + 10/3052 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 januari 2010, 08/2698 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en van 16 april 2010, 09/637 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te Sint Michielsgestel, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door De Kort. Voor het Uwv is verschenen mr. G.A. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft zich op 17 september 1998, afgaande op de rapporten van de verzekeringsarts van 6 juli 1999 en de arbeidsdeskundige van 2 september 1999, met nekklachten, schouder- en armklachten zowel links als rechts en migraineklachten ziek gemeld voor haar werk laatstelijk als productiemedewerker via een uitzendbureau gedurende gemiddeld 31,34 uur per week.

Bij besluit van 20 september 1999 is aan haar per 16 september 1999 een volledige WAO-uitkering toegekend.

2. Bij besluit van 13 juli 2006 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 januari 2006 waarbij de WAO-uitkering per 18 maart 2006 is ingetrokken om reden dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is en dus de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

3. Bij uitspraak van 22 juni 2007 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 13 juli 2006 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

4. Op 23 mei 2006 heeft appellante zich per 2 mei 2006 met chronische rechterheupklachten als gevolg van artrose toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Ter ondersteuning daarvan heeft de huisarts op 5 juni 2006 een tweetal verklaringen van een radioloog van 7 maart 2006 overgelegd. Vervolgens heeft appellante op 31 december 2007 een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend.

Na verzekeringsgenees- en arbeidskundig onderzoek is bij besluit van 18 februari 2008 vastgesteld dat appellante per

29 april 2008 geen recht op een WIA-uitkering heeft om reden dat (er geen verlies aan verdiencapaciteit is en dus) de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van 7 juli 2008 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond verklaard.

5.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 7 juli 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

5.2. De na verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde en in bezwaar gehandhaafde medische beperkingen tot het verrichten van arbeid zijn niet onderschat. Weliswaar hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts daarbij de diagnose fibromyalgie gehanteerd, maar de reumatoloog H.A. Cats heeft (in diens verklaring van 6 februari 2008) die diagnose niet gesteld en de sinds 2007 bestaande chronische pijnklachten van appellante als fibromyalgie-achtig aangemerkt. De in dat verband gerezen vraag of op 2 mei 2006 een zogenoemde Amber-situatie (met een wachttijd van 4 weken in het kader van de WAO) voorlag, is thans niet aan de orde, omdat het Uwv te dien aanzien na verzekeringsgeneeskundig onderzoek een nieuw, voor bezwaar vatbaar besluit zal nemen.

De bezwaarverzekeringsarts wordt gevolgd in haar conclusie dat uit het feit dat de polikliniek onbegrepen pijnklachten waarnaar appellante is verwezen valt onder de afdeling Psychiatrie niet volgt dat in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML (psychische) beperkingen zouden moeten worden opgenomen.

Eveneens wordt de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in haar conclusie dat de migraine waarvan appellante zelf heeft aangegeven dat het met medicatie en na vier uren in het donker wel weer gaat, het jarenlang uit het arbeidsproces zijn en het zelf rust nemen medisch gezien nopen tot noch aanleiding vormen voor het opnemen in de FML van een urenbeperking.

Gegeven de juistheid van de FML moet appellante in staat worden geacht tot vervulling van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Met name in het licht van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2005, LJN AT0932, kan slechts beperkte waarde worden gehecht aan het door appellante in beroep overlegde rapport van arbeidskundig onderzoek (waaraan geen arts te pas is gekomen) door het bureau eMMe, met als conclusie dat appellante slechts belastbaar is in zeer lichte functies voor maximaal vier uren per dag,

6. Bij besluit van 16 januari 2009 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 september 2008 tot weigering van een WAO-uitkering om reden dat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebleken dat de door appellante per 2 mei 2006 gemelde toeneming van arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekte-oorzaak als die ter zake waarvan zij de per 18 maart 2006 ingetrokken WAO-uitkering heeft ontvangen en dat bijgevolg per 2 mei 2006 geen wachttijd van (slechts) vier weken gold.

7. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van

16 januari 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat, omdat de heupklachten niet dezelfde oorzaak hebben als de schouderklachten, per 2 mei 2006 geen Amber-situatie aan de orde was.

8. In hoger beroep heeft appellante in beide zaken in essentie herhaald wat zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Nader zijn geen medische stukken ingebracht.

9.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

9.2. Wat beide geschillen betreft deelt de Raad het oordeel van de rechtbank, kan de Raad zich vinden in de door de rechtbank gebezigde overwegingen en slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

Daarbij tekent de Raad nog het volgende aan.

9.3. Allereerst merkt de Raad op dat in de WIA-bezwaarfase (ter hoorzitting op 13 mei 2008) de Amber-kwestie in het kader van de WAO niet had behoeven te worden losgekoppeld en tot twee verschillende procedures tot in hoger beroep had behoeven te leiden. De Raad wijst in dit verband op zijn (latere) uitspraak van 27 februari 2009, LJN BH4581, in welk geval geen loskoppeling had plaatsgevonden en waarin hij heeft overwogen dat hij geen beletsel aanwezig acht om bij de beoordeling van een WIA- aanvraag te betrekken of wellicht zich een (Amber-)situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO waarin de verzekerde aanspraak maakt op heropening van de eerder toegekende WAO-uitkering. De loskoppeling door het Uwv is dan ook niet ontoelaatbaar.

9.4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft appellante op 1 februari 2008 op zijn spreekuur gezien, gesproken en onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft de door de primaire verzekeringsarts bij de appellante behandelend reumatoloog H.A. Cats opgevraagde maar na afsluiting van diens onderzoek ingekomen inlichtingen (brief van 6 februari 2008) betrokken in zijn herbeoordeling op 13 mei 2008 en - op grond van de vaste rechtspraak van de Raad - de FML aangepast daar waar (op het onderdeel schroefbewegingen met hand en arm) een beperkende toelichting bij de normaalwaarde was gegeven.

9.4.2. De huisarts heeft in de anamnese in een van 17 september 2004 daterende verklaring opgenomen: “Er was volgens de reumatoloog geen sprake van fibromyalgie.”. Cats heeft in zijn brief van 6 februari 2008 niet als diagnose fibromyalgie gesteld. Appellante heeft evenwel uit de door Cats voorgestelde wijze van behandeling impliciet afgeleid dat zij lijdt aan fibromyalgie. De Raad volgt appellante daarin niet. Het stellen van een medische diagnose is voorbehouden aan een medicus. Aan appellant moet worden toegegeven dat de primaire verzekeringsarts in haar rapport van 7 februari 2008 onder diagnose onder meer fibromyalgie heeft vermeld en dat ook de bezwaarverzekeringsarts dat heeft gedaan in zijn rapport van 13 mei 2008. Onduidelijk is waarop zij die diagnose ondanks de verklaring van de huisarts respectievelijk de verklaring van Cats hebben gebaseerd. Overigens dwingt het stellen van een diagnose niet zonder meer tot het aannemen van beperkingen; tot dat laatste kan een eenmaal gestelde diagnose wel aanleiding geven. Of er ten tijde in geding wel of geen sprake was van fibromyalgie, appellante is er met wat zij heeft aangevoerd niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat zij wat de in de FML opgenomen beperkingen betreft tekort is gedaan.

Dat geldt evenzeer voor de bij persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen beperkingen. Het enkele feit dat Cats in zijn brief van 6 februari 2008 heeft vermeld dat hij zich kan voorstellen dat een verwijzing naar de van de afdeling psychiatrie van het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen deel uitmakende polikliniek onbegrepen klachten in het belang van appellante is, is onvoldoende om psychische beperkingen vast te stellen. Overigens is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 mei 2008 niet opgemerkt dat appellante is verwezen naar die polikliniek.

9.4.3. Wat het rapport van arbeidskundig onderzoek van het bureau eMMe van november 2008 betreft wijst de Raad op zijn van na de aangevallen uitspraak daterende uitspraak van 23 april 2010, LJN BM2404. Ter zitting van de Raad heeft appellante er nog de aandacht op gevestigd dat de arbeidsprestaties indicatief onder andere zijn vastgesteld aan de hand van de door veel bedrijven toegepaste MTM-norm en die vaststelling dus als objectief is aan te merken. De Raad volgt appellante daarin niet en betrekt daarbij dat het meten van prestaties ter vaststelling of de betrokkene geschikt is voor en in staat is tot het vervullen van de door hem/haar begeerde functie in het vrije bedrijf niet op één lijn kan worden gesteld met het meten van prestaties ter vaststelling van de functionele mogelijkheden van de aanvrager van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

9.4.4. Wat de vier aan appellante voorgehouden functies betreft is de Raad van oordeel dat de signaleringen ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid afdoende zijn toegelicht door de (bezwaar)arbeidsdeskundige. Indien niettemin reden tot twijfel zou bestaan ten aanzien van de frequentie van duwen/trekken in de eerste (productiemedewerker metaal, 111171) van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, dan komt de vierde aan appellante voorgehouden (reserve-)functie (machinaal metaalbewerker, 264122) daarvoor in de plaats, doch leidt dat niet tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minstens 35%.

9.4.5. Appellante heeft zich niet eerder dan per 2 mei 2006 met rechterheupklachten als gevolg van artrose toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, nadat bij haar bij radiologisch onderzoek op 7 maart 2006 diverse heupafwijkingen waren vastgesteld en nadat zij op 25 april 2006 bij haar huisarts was geweest en die haar heeft verwezen naar een orthopedisch chirurg. De vraag of sprake is van toegenomen arbeidsbeperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor de (gestelde) toename is veroorzaakt, maar dàt er in dit geval sprake is van toename is niet omstreden. Het ligt niet voor de hand om fibromyalgie als oorzaak van die heupklachten aan te wijzen, omdat voor fibromyalgie nu juist kenmerkend is dat geen somatische oorzaak valt aan te wijzen. In dit geval is er wel een somatische oorzaak aan te wijzen, te weten de bij radiologisch onderzoek vastgestelde afwijkingen. De Raad kan zich geheel vinden in de door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 19 december 2008 neergelegde en in diens rapporten van 19 juni 2009 en 7 juli 2010 (nader) toegelichte zienswijze en acht buiten twijfel gesteld dat de rechterheupklachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de klachten ter zake waarvan appellante tot 18 maart 2006 een WAO-uitkering heeft ontvangen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM