Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
10-1212 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit, waarbij de WAO-uitkering was ingetrokken. Hetgeen door appellant is aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft in redelijkheid kunnen weigeren van het besluit van 12 juni 2003 terug te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1212 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010, 09/611 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Sloof, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sloof voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 12 juni 2003 is de uitkering, van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 7 augustus 2003 ingetrokken. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 10 december 2003 ongegrond verklaard.

1.2. Op 17 juli 2008 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat met ingang van 3 augustus 2003 sprake is van een verslechterde gezondheid. Bij besluit van 11 december 2008 is - onder toepassing van de zogeheten Amberbepaling - geweigerd met ingang van vier weken na 3 augustus 2003 een uitkering toe te kennen. Bij besluit van 18 maart 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt. Geoordeeld is dat het bestreden besluit ten onrechte op artikel 39a van de WAO is gebaseerd, in plaats van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in zijn conclusie dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv redelijkerwijs kunnen concluderen dat geen aanleiding bestond terug te komen van het besluit van 12 juni 2003.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en dat het Uwv redelijkerwijs van het besluit van 12 juni 2003 diende terug te komen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat tegen het besluit op bezwaar van 10 december 2003 geen rechtsmiddel is aangewend zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de melding van 17 juli 2008 had moeten worden beoordeeld als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 juni 2003. Dit standpunt is door appellant niet betwist. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de melding van 17 juli 2008 moet worden beoordeeld met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.2. In een brief 27 augustus 2004 heeft appellants behandelend neuroloog aangegeven dat appellant klachten heeft van een doof gevoel in het linker bovenbeen, met ongeveer vier maal per dag een aanval van pijn. De neuroloog concludeert dat er geen aanwijzingen bestaan voor een neurologische oorzaak van de klachten. In een brief van 16 november 2004 heeft de neuroloog meegedeeld dat er geen harde indicatie voor operatieve behandeling bestaat. De MRI-scan toonde een HNP L4-L5. Opgemerkt is dat appellant redelijk kan functioneren. In een rapportage van 23 november 2004 van bezwaarverzekeringsarts Kupecz-Mogendorff, waarin deze informatie in de beoordeling is betrokken, is geconcludeerd dat op de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 24 januari 2003 voldoende rekening is gehouden met de beenklachten. Bezwaarverzekeringsarts Ten Hove heeft onder verwijzing naar de rapportage van 23 november 2004 overwogen dat er geen aanleiding is op en na 3 augustus 2008 meer beperkingen aan te nemen. Er is geen aanleiding de beoordeling per

7 augustus 2003 in een ander daglicht te zien. Geconcludeerd is dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Appellant heeft erop gewezen dat de behandelend neuroloog - blijkens zijn brief van 16 november 2004 - een hernia heeft geconstateerd. Voorts heeft appellant informatie van 29 januari 2009 van zijn behandelend neuroloog overgelegd, waarin is vermeld dat bij onderzoek op 9 september 2008 (opnieuw) een hernia is geconstateerd. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat - mede gelet op de informatie van de neuroloog van 2004 - op de FML voldoende rekening is gehouden met de beenklachten. Voorts overweegt de Raad dat de brief van 29 januari 2009 van de neuroloog geen informatie bevat over de medische situatie op de datum in geding 7 augustus 2003.

4.3. Wat betreft het door appellant overgelegde verslag van 9 juni 2008 van psycho-diagnostisch onderzoek, opgesteld door gedragswetenschapper drs. Hullegie, volgt de Raad - evenals de rechtbank - de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat dit verslag geen informatie geeft over de toestand van appellant op de datum in geding.

4.4. De door appellant overgelegde achtergrondinformatie over sarcoïdose en het chronisch vermoeidheidssyndroom bevat geen informatie over de medische toestand van appellant, maar slechts algemene informatie.

4.5. De Raad is van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft in redelijkheid kunnen weigeren van het besluit van 12 juni 2003 terug te komen.

4.6. In hetgeen appellant voor het overige in hoger beroep heeft betoogd, ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

4.7. De stelling van appellant dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling voorafgaand aan het besluit van 12 juni 2003 onbevoegdelijk is verricht door een arts die geen verzekeringsarts is, kan niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden. Immers staat in de onderhavige procedure niet de juistheid van de medische beoordeling die aan het besluit van

12 juni 2003 ten grondslag ligt, ter beoordeling, maar de vraag of het Uwv gehouden is van het rechtens onaantastbare besluit terug te komen, nog daargelaten dat het gebrek kan worden geacht te zijn hersteld bij het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts van 7 december 2003.

4.8. De stelling van appellant die erop neerkomt dat de informatie van de neuroloog al bij het onderzoek van de primaire verzekeringsarts had moeten worden betrokken, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu deze informatie door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling is betrokken.

4.9. Voor aanvaarding van de door appellant geclaimde - gedetailleerd weergegeven - beperkingen per de datum in geding bestaat, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond.

4.10. De Raad gaat niet in op de stellingen van appellant dat de in 2003 geselecteerde functies niet passend zouden zijn en dat ten onrechte een omschrijving van die functies ontbreekt. Het bestreden besluit is met name gebaseerd op de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven de medische beoordeling per 7 augustus 2003 bij te stellen. Ten aanzien van de destijds aan appellant voorgehouden functies bevat appellants verzoek van 17 juli 2008 geen opmerkingen waarop in de besluitvorming van het Uwv moet worden ingegaan. Gelet daarop is het Uwv terecht niet toegekomen aan de vraag of de functies passend zijn.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T. Dolderman.

JL