Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
08-7149 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BG5026
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college is, na de vernietiging van zijn eerdere beslissing op bezwaar op de grond dat geen begin van bewijs was geleverd voor de tijdelijkheid van de financiering, er opnieuw niet in geslaagd aannemelijk te maken dat voor de functie van appellant slechts tijdelijk financiële middelen beschikbaar waren. De Raad voorziet zelf en stelt vast dat appellant met ingang van 16 december 2000 voor onbepaalde tijd is aangesteld als postdoc bij de leerstoelgroep Hydrologie, Hydraulica en Kwantitatief Waterbeheer van Wageningen Universiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7149 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 november 2008, 08/242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van Wageningen Universiteit (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2011. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en door mr. M.F. de Vries, werkzaam bij Wageningen Universiteit.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als postdoc bij de leerstoelgroep Hydrologie, Hydraulica en Kwantitatief Waterbeheer van Wageningen Universiteit. Blijkens zijn aanstellingsbesluit van 30 november 2000 betrof het een dienstverband voor bepaalde tijd, gebaseerd op artikel 3.7, eerste lid, onder b, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO-NU), voor de periode van 16 december 2000 tot 16 december 2003.

1.2. Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het college appellant meegedeeld dat het tijdelijke dienstverband met ingang van 16 december 2003 van rechtswege eindigt en dat zijn aanstelling nadien niet wordt voortgezet. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2004.

1.3. Bij uitspraak van 4 oktober 2007, 05/4520 en TAR 2008, 45, heeft de Raad - voor zover thans nog van belang - het besluit van 7 mei 2004 op dit punt vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

1.4. Bij besluit van 12 december 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Het college heeft appellant voor bepaalde tijd aangesteld met toepassing van artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO NU, zoals dit ten tijde hier van belang luidde. Ingevolge dit artikelonderdeel kan een dienstverband voor bepaalde tijd worden aangegaan vanwege het slechts tijdelijk beschikbaar zijn van financiële middelen, dan wel ter uitvoering of mede-uitvoering van een bepaald werk.

3.2. In geschil is, of het dienstverband van appellant heeft te gelden als een dienstverband voor onbepaalde tijd op grond van artikel 3.9, vijfde lid, van de CAO NU, zoals dit ten tijde hier van belang luidde. Artikel 3.9 draagt het opschrift “Conversie”. In het vijfde lid is bepaald dat, indien bij een dienstverband voor bepaalde tijd in de schriftelijke vastlegging van het dienstverband de grond voor het dienstverband niet wordt vermeld of een kennelijk onjuiste grond wordt vermeld, het dienstverband voor bepaalde tijd wordt geacht omgezet te zijn in een dienstverband voor onbepaalde tijd.

3.3. In zijn uitspraak van 4 oktober 2007 heeft de Raad - kort samengevat - overwogen dat appellant gerede twijfel heeft opgeroepen over de juistheid van de in het aanstellings-besluit vermelde aanstellingsgrond, welke twijfel door het college niet was weggenomen. Voor het standpunt van het college dat voor appellants functie van postdoc slechts tijdelijk financiële middelen beschikbaar waren, had het college geen begin van bewijs aangedragen. De stelling van het college dat een in verband met de aanstelling van hoogleraar T. eenmalig beschikbaar gesteld bedrag van € 100.000, is aangewend voor de financiering van appellants functie van postdoc gedurende drie jaar, was op geen enkele wijze onderbouwd. Evenmin had het college de stelling van appellant weerlegd dat dit bedrag ontoereikend is om de loonkosten van de postdoc gedurende drie jaren te financieren. Daar kwam nog bij dat namens het college naar voren is gebracht dat de tijdelijke aanstelling mede was ingegeven door onzekerheid met betrekking tot het onderwijs. De Raad concludeerde dan ook tot strijd met het motiveringsvereiste.

3.4. Bij het thans bestreden besluit heeft het college zich nader op het standpunt gesteld dat appellants aanstelling voor een gedeelte groot 0,5 fte is gefinancierd uit de zogenoemde job-offer-conforme (met een aanstellingsaanbod vergelijkbare) toewijzing van middelen aan prof. T. Het ging daarbij om een bedrag van in totaal € 448.000, (lees: f. 448.000, ), bestemd voor de aanstelling van een postdoc voor 50% gedurende drie jaar en een aio-plaats gedurende 4 jaar. Ten bewijze hiervan heeft het college een brief van 1 februari 2000 overgelegd, waarin de hoogleraar-directeur van het Departement Omgevingswetenschappen de betrokken afspraken aan het college heeft bevestigd. Aan deze financiering van 0,5 fte heeft de leerstoelgroep eenmalig tijdelijke middelen toegevoegd om de omvang van de tijdelijke plaats met 0,3 fte op te hogen tot 0,8 fte. Deze middelen werden gevonden doordat de aan de leerstoelgroep verbonden vacante functie van universitair docent (UD), met een omvang van 0,5 fte, voor een periode van 3 jaar niet werd ingevuld. Naderhand is de omvang van de betrekking van appellant nog met 0,1 fte uitgebreid tot in totaal 0,9 fte. Uit een mutatie-opdracht van 9 februari 2001 blijkt dat deze 0,1 fte wederom uit de job-offer-conforme toewijzing aan prof. T. is gefinancierd, aldus het college.

3.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aannemelijk geoordeeld dat de in de brief van 1 februari 2000 vermelde financiering bedoeld was voor de aanstelling van appellant in de functie van postdoc voor 0,5 fte gedurende drie jaar. In zoverre was sprake van tijdelijk beschikbare financiële middelen als bedoeld in de CAO NU. Dit gold volgens de rechtbank niet voor de uitbreiding met 0,3 fte, nu deze is gefinancierd uit structureel beschikbare middelen. Het gold evenmin voor de uitbreiding met 0,1 fte, omdat de stelling van het college dat deze is gefinancierd uit de job-offer-conforme toewijzing aan prof. T. zich niet verdraagt met het gestelde in de brief van 1 februari 2000. Dit nam echter voor de rechtbank niet weg dat de aanstelling van appellant in overwegende mate - want voor 0,5 van de 0,9 fte - uit tijdelijk beschikbare middelen is gefinancierd.

3.6. De Raad kan de rechtbank in deze conclusie niet volgen. Zoals de Raad in zijn meergenoemde uitspraak van 4 oktober 2007 heeft overwogen, komt uit de van toepassing zijnde universitaire plannen, waaronder het Reorganisatieplan van het Departement Omgevingswetenschappen, naar voren dat de vaste 0,5 formatieplaats van UD Hydraulica voor een periode van 3 jaar zou worden ingevuld door een postdoc. Gelet op de veranderingen in het onderwijs, zou pas na afloop van die periode een definitieve invulling van de vacature plaatsvinden. Buiten redelijke twijfel staat, dat appellant de

postdoc is geweest die met deze tijdelijke invulling van de UD plaats is belast. Daarop wijzen onder meer de tekst van de vacaturepublicatie waarop appellant heeft gesolliciteerd en het feit dat appellant naar buiten toe in verschillende documenten, anders dan andere postdocs, werd vermeld als lid van de vaste staf. Tevens is in aanmerking genomen dat de functie van appellant bij een functiewaardering per 1 april 2003 door het college is ingedeeld in het functieprofiel UD. Kortheidshalve verwijst de Raad naar zijn tussen partijen gegeven uitspraak van - eveneens - 4 oktober 2007, 06/2593, 06/2601 en 06/5577. Het vorenstaande betekent dat de financiering van de functie van appellant in overwegende mate uit structureel beschikbare middelen was verzekerd. Het verweer van het college dat er geen verplichting bestaat om de structurele middelen uit te putten alvorens tot tijdelijke financiering over te gaan, treft in dit geval geen doel. Appellant is immers feitelijk op de vacante structurele UD functie geplaatst. Dat de Raad tevens heeft vastgesteld dat appellant zijn taken niet op dusdanige wijze heeft vervuld dat hij daaraan - na verloop van drie jaar - aanspraak op benoeming als UD kon ontlenen, staat los van de vraag naar de herkomst van de financiering en leidt daarom evenmin tot een ander oordeel.

3.7. Tegen deze achtergrond is niet in te zien welke betekenis de job-offer-conforme toewijzing van 0,5 postdoc aan prof. T. zou hebben gehad indien deze toewijzing, zoals het college stelt, betrekking had op appellant. Ook ter zitting heeft het college dit niet duidelijk kunnen maken. De suggestie van appellant dat die toewijzing betrekking had op de postdoc L. is door het college voldoende weerlegd met stukken die aannemelijk maken dat de aanstelling van L. verband hield met het Europese "contract Daufin". Daarmee is echter nog niet gezegd dat de toewijzing in de brief van 1 februari 2000 op appellant moet hebben gezien. Voor het leggen van een dergelijk rechtstreeks verband is geen enkel concreet aanknopingspunt aanwezig.

3.8. De Raad is dan ook van oordeel dat het college, na de vernietiging van zijn eerdere beslissing op bezwaar op de grond dat geen begin van bewijs was geleverd voor de tijdelijkheid van de financiering, er opnieuw niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat voor de functie van appellant slechts tijdelijk financiële middelen beschikbaar waren. Veeleer is het tegendeel aannemelijk.

3.9. Onder deze omstandigheden kan de Raad tot geen andere slotsom komen dan dat de verwijzing in het aanstellingsbesluit naar de in artikel 3.7, aanhef en onder b, van de CAO NU genoemde grond voor een dienstverband voor bepaalde tijd is aan te merken als het vermelden van een kennelijk onjuiste grond in de zin van artikel 3.9, vijfde lid. Het

- automatische - gevolg hiervan is, dat het dienstverband van appellant vanaf het begin moet worden aangemerkt als een dienstverband voor onbepaalde tijd. Dat het appellant ten tijde van de aanstelling volkomen duidelijk moet zijn geweest dat deze als tijdelijk was bedoeld, zoals in het bestreden besluit is benadrukt, kan hieraan niet afdoen. Conversie in een dienstverband voor onbepaalde tijd is bedoeld als sanctie op een onjuiste handelwijze van het bevoegd gezag. Wat de ambtenaar zelf wist of had kunnen weten, is daarom in beginsel niet van belang.

3.10. Er was dan ook geen plaats voor een besluit dat berust op het uitgangspunt dat de dienstbetrekking van appellant per 16 december 2003 van rechtswege is geëindigd. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3.9, vijfde lid, van de CAO NU genomen en komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat per 16 december 2000 sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Het ligt op de weg van het college om de gevolgen ervan bij besluit nader te regelen.

3.11. Het verzoek van appellant om vergoeding van schade komt op grond van artikel 8:73 van de Awb in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Voor zover het voortduren van het dienstverband na 16 december 2003 tot nabetaling leidt, bestaat de te vergoeden schade in de wettelijke rente daarover. Voor de berekening daarvan verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 30 september 2010, LJN BO1355. Voor het overige is van te vergoeden schade niet gebleken. De Raad zal appellant dienovereenkomstig veroordelen.

4. De Raad acht termen aanwezig om het college te veroordelen in de kosten van het bezwaar tot een bedrag van € 161, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 644, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 23,24 wegens reiskosten, in totaal dus € 828,24.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Stelt vast dat appellant met ingang van 16 december 2000 voor onbepaalde tijd is aangesteld als postdoc bij de leerstoelgroep Hydrologie, Hydraulica en Kwantitatief Waterbeheer van Wageningen Universiteit en bepaalt dat deze uitspraak van de Raad in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van wettelijke rente zoals onder 3.11 aangegeven;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 828,24; Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Nijholt.

HD

Q