Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
09-2760 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Inkomen uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat dit zijn wezenlijke grond niet vindt in onzorgvuldig onderzoek aan de zijde van het College (of aan hem toe te rekenen onderzoeksactiviteiten) maar in de omstandigheid dat betrokkene er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat zij bij nakoming van de wettelijke inlichtingenverplichting ten tijde hier in geding recht had op aanvullende bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2760 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2009, 08/1194 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.E.W.C.M. Kneepkens, advocaat te Bussum, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H. Koppen, werkzaam bij WisselWerk Gooi Zuid te Hilversum. Voor betrokkene is mr. Kneepkens verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene ontving sinds 30 augustus 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een tip dat betrokkene “zwart” schoonmaakwerkzaamheden bij mensen aan huis verricht, heeft de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche observaties verricht en vier getuigen gehoord en heeft betrokkene zelf een verklaring afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 1 mei 2007.

1.3. Appellant heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gevonden bij besluiten van respectievelijk 5 en 14 juni 2007 de bijstand van betrokkene over de periode van 30 augustus 2001 tot en met 31 maart 2007 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 72.793,82 van haar terug te vorderen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen zonder dat bij appellant te melden. Aangezien betrokkene geen bewijsstukken heeft overgelegd is de conclusie getrokken dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van betrokkene over genoemde periode niet is vast te stellen.

1.4. Bij besluit van 15 februari 2008 heeft appellant de tegen de besluiten van 5 en 14 juni 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat weliswaar nadere verklaringen van twee getuigen zijn overgelegd, maar dat ook daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene aanspraak zou kunnen maken op aanvullende bijstand indien de inlichtingenverplichting wel was nagekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 februari 2008 ingestelde beroep - met een beslissing inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft daarbij allereerst geoordeeld dat appellant de besluitvorming in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gebaseerd op samenvattingen van de processen-verbaal van verhoor en voorts dat er geen grond is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Weliswaar blijken de samenvattingen in essentie overeen te stemmen met de inhoud van de volledige processen-verbaal, maar de omstandigheid dat uit de (globale) verhoren van de getuigen door de sociale recherche onvoldoende duidelijkheid is verkregen omtrent duur en omvang van de werkzaamheden en de daarmee verworven middelen, moet voor rekening en risico van appellant worden gelaten aangezien appellant bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis dient te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 februari 2008 niet in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.

4.2. Niet in geschil is dat betrokkene in de (loop van de) periode hier in geding op een viertal adressen aan de [straatnaam] te [woonplaats] werkzaamheden als schoonmaakster/huishoudelijke hulp heeft verricht en voor die werkzaamheden een beloning heeft ontvangen. Verder staat vast dat betrokkene van deze werkzaamheden en verdiensten geen mededeling heeft gedaan aan appellant. Omtrent de precieze aard en omvang van de werkzaamheden en daaruit verkregen verdiensten is geen volstrekte duidelijkheid verkregen. Onder die omstandigheden is appellant in beginsel gerechtigd over te gaan tot intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, betrokkene ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.3. Het ligt vervolgens op de weg van betrokkene feiten te stellen en aannemelijk te maken dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting wel naar behoren was nagekomen, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op basis van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche en de nadien overgelegde verklaringen geen voor de toepassing van de WWB toereikende raming van de werkzaamheden en verdiensten van betrokkene in de in geding zijnde periode is te maken. De Raad ziet met name onvoldoende aanknopingspunten om aan de hand daarvan alsnog een fictief inkomen in aanmerking te nemen en op basis daarvan de bijstand te herzien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de nadere verklaringen van (slechts) twee bewoners van de onder 4.2 bedoelde adressen slechts zeer globale aanduidingen inzake duur, omvang en verdiensten bevatten die niet met objectieve, verifieerbare gegevens zijn gestaafd. Van de andere bewoners zijn geen nadere gegevens in het geding gebracht. Voorts is betrokkene zelf, in weerwil van de verklaringen van de bewoners van de werkadressen, blijven ontkennen ooit enig bedrag te hebben ontvangen. Gelet hierop, mede in het licht van het gegeven dat betrokkene kennelijk ook reeds vóór de in geding zijnde periode huishoudelijke werkzaamheden verrichtte op bovenbedoelde adressen, moet de conclusie dan ook zijn dat het recht op bijstand niet met de vereiste zekerheid is vast te stellen. Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat dit zijn wezenlijke grond niet vindt in onzorgvuldig onderzoek aan de zijde van appellant (of aan hem toe te rekenen onderzoeksactiviteiten) maar in de omstandigheid dat betrokkene er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat zij bij nakoming van de wettelijke inlichtingenverplichting ten tijde hier in geding recht had op aanvullende bijstand.

4.5. Appellant was gelet op het voorgaande bevoegd tot intrekking van de aan betrokkene verleende bijstand. Niet gebleken is dat appellant niet in redelijkheid tot uitoefening van die bevoegdheid heeft kunnen overgegaan. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat appellant tevens bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. In hetgeen door betrokkene is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten.

4.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar niet in stand zijn gelaten. De Raad zal voorts bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 februari 2008 in stand blijven.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 februari 2008 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

IJ