Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
08-5231 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de na de zitting ontvangen gegevens van het College niet meer voorgelegd aan appellant voor een reactie, er is geen nieuwe zitting gehouden en partijen zijn evenmin verzocht om toestemming om de zaak buiten zitting af te doen. Het College heeft de inkomstenaftrek van appellant berekend overeenkomstig de op de loonspecificaties van Adecco en Capac vermelde gegevens. Bij de berekening heeft het College terecht de door Adecco uitbetaalde vakantie-uren, kort verzuim en a.d.v. aangemerkt als ontvangen middelen die in mindering gebracht mochten worden op de geldende bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5231 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2008, 08/1702, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn en C.J.M. Vermeulen, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 17 juli 2006 ingetrokken op de grondslag dat appellant vanaf 17 juli 2006 een inkomen heeft dat minstens zo hoog is als de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 januari 2007 - voor zover hier van belang - heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 30 november 2006 gegrond verklaard en bepaald dat onder verrekening van inkomsten uit arbeid de bijstand van appellant met ingang van 17 juli 2006 wordt voortgezet. Daarvan uitgaande zijn betalingen gedaan en heeft het College bij besluit van 6 februari 2008 aan appellant een nabetaling over de kalenderjaren 2006 en 2007 toegekend op basis van zijn inkomstengegevens vanaf 1 juli 2006 en een herberekening van zijn recht op bijstand.

1.2. Bij besluit van 2 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt - ambtshalve oordelend - vast dat de aangevallen uitspraak niet op een juiste wijze tot stand is gekomen. De rechtbank heeft na de behandeling van het beroep ter zitting van 27 juni 2008, bij brief van 30 juni 2008 desgevraagd nadere gegevens van het College ontvangen. De rechtbank heeft deze gegevens niet meer voorgelegd aan appellant voor een reactie, er is geen nieuwe zitting gehouden en partijen zijn evenmin verzocht om toestemming om de zaak buiten zitting af te doen. De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ertoe leidt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.2. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De Raad zal de zaak daarom zonder terugwijzing afdoen.

4.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat aan hem op grond van een eigen gemaakte berekening een hoger bedrag moet worden nabetaald. De nabetaling van het College is volgens appellant gebaseerd op onjuiste inkomstengegevens. Gesteld wordt voorts dat de loonspecificatie van uitzendbureau Adecco van maart 2007 niet klopt omdat hij in deze maand niet voor dit uitzendbureau heeft gewerkt en dat daarom de door het College over de maand maart 2007 op zijn bijstandsnorm toegepaste inkomstenaftrek een onjuist bedrag is.

4.4. De Raad stelt vast dat het College de nabetaling over de kalenderjaren 2006 en 2007 heeft berekend aan de hand van loonspecificaties van Adecco Personeelsdiensten B.V. (hierna: Adecco) en Capac Inhouse Services B.V. (hierna: Capac). De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op de loonspecificaties vermelde gegevens.

4.5. De Raad stelt ten aanzien van de maand maart 2007 vast dat het College de inkomstenaftrek van appellant heeft berekend overeenkomstig de op de loonspecificaties van Adecco en Capac vermelde gegevens. Bij de berekening heeft het College terecht de door Adecco uitbetaalde vakantie-uren, kort verzuim en a.d.v. aangemerkt als ontvangen middelen die in mindering gebracht mochten worden op de geldende bijstandsnorm. De Raad merkt in dit verband op dat appellant bij zijn eigen berekening van de nabetaling over 2007 met betrekking tot de maanden januari tot en met maart 2007 is uitgegaan van een te hoge bijstandsnorm.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden om het bedrag dat door het College is nabetaald onjuist te achten. Het beroep kan dus niet slagen. Nu het beroep ongegrond zal worden verklaard, is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5.1. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad als volgt. In artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr) is bepaald dat een veroordeling tot vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb uitsluitend op de in dat artikel 1 genoemde kosten betrekking kan hebben. De door appellant in beroep opgevoerde kosten betreffen geen proceskosten als bedoeld in artikel 1 van het Bpr, zodat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

5.2. De Raad ziet wel aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 14,02, zijnde de door appellant in hoger beroep gemaakte reiskosten. Van andere proceskosten als bedoeld in het Bpr is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 april 2008 ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 14,02;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ