Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
09-6646 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van een eerder ingenomen standpunt. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2011-02-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/140

Uitspraak

09/6646 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 oktober 2009, 08/1838 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven, thans het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 24 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur van de Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven (hierna: stichting) heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N.H.G. Beltman en mr. S. Došljak, beiden advocaat te Amsterdam. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Janssen, directeur van de stichting, en door mr. R.J. Wevers, advocaat te Boxtel.

II. OVERWEGINGEN

1. Als gevolg van een wijziging van de statuten van de stichting op 12 juli 2005 kan van de stichting niet meer gezegd worden dat zij, zoals tot dan toe, tot de openbare dienst van de gemeente Eindhoven behoort. Omdat zij niet meer door een openbaar lichaam wordt beheerd, is (het bestuur van) de stichting jegens haar personeel niet langer bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad merkt voor dit geding het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven aan als rechtsopvolger.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante, die naast docente in dienst van de stichting ook [functie] was van de ondernemingsraad (hierna: OR) bij de stichting, heeft op 25 november 2002 een bezwaarschrift ingediend naar aanleiding van de door haar ontvangen salarisspecificaties over de maanden september, oktober en november 2002. Op dat bezwaarschrift, dat betrekking had op de wijze waarop bij de salarisberekening werd omgegaan met de uren die appellante besteedde aan werkzaamheden voor de OR, is een definitief standpunt ingenomen bij besluit van 29 september 2003.

2.2. Enige tijd later heeft het stichtingsbestuur over de in het bezwaarschrift aan de orde gestelde problematiek gecorrespondeerd met FNV KIEM en ook appellante heeft daarover weer brieven geschreven. Zij heeft het bestuur uiteindelijk gevraagd terug te komen van het eerder ingenomen standpunt. Op het bezwaar tegen de afwijzing van appellantes verzoek is beslist bij besluit van 16 april 2008 (hierna: bestreden besluit).

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd, maar bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verder is het verzoek van appellante om het bestuur te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen en zijn bepalingen gegeven betreffende de vergoeding van € 145,- griffierecht en € 805,-proceskosten.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De rechtbank heeft niet onderkend dat het bestuur met zijn onder 2.1 vermelde besluit van 29 september 2003 zijn beslissing over de salarisberekening definitief heeft gehandhaafd en dat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Aan die laatste vaststelling staat niet in de weg dat bij de bekendmaking van het besluit van 29 september 2003 niet op de mogelijkheid van beroep is gewezen. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat in het bestreden besluit het standpunt is gehandhaafd dat, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb, niet wordt teruggekomen van het eerder ingenomen standpunt. De Raad merkt op dat in het bestreden besluit de toepassing van genoemde bepaling tot uitdrukking is gebracht.

4.2. De door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit kan op de door de rechtbank gegeven gronden niet in stand blijven.

4.3. Voor die vernietiging is evenmin aanleiding op andere gronden. De Raad overweegt daartoe, dat, zoals is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, van degene die een bestuurs-orgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.4. De Raad moet vaststellen dat appellante geen melding heeft gemaakt van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. Het bestuur was dan ook bevoegd om het verzoek van appellante af te wijzen en voor de motivering van die beslissing in feite te volstaan met te verwijzen naar zijn eerdere besluit. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand en het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep is ongegrond.

5. Uit het bovenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak grotendeels niet in stand kan blijven. Mede uit een oogpunt van duidelijkheid zal de Raad de gehele uitspraak vernietigen en doen wat de rechtbank zou behoren te doen. Daarbij neemt de Raad de door het bestuur niet betwiste veroordelingen tot vergoeding van proceskosten en griffierecht over.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten in hoger beroep. Wel zal worden bepaald dat het bestuur aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 805,-;

Bepaalt dat het bestuur aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD