Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
08/1118 WWB + 10/6451 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kosten van bezwaar worden uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende. Betrokken heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Het College was niet gehouden de kosten in bezwaar te vergoeden. Proceskostenveroordeling in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1118 WWB

10/6451 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2008, 07/1187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C.W. van der Voort, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit op bezwaar van 7 februari 2008 ingezonden.

Appellant heeft een reactie aan de Raad toegezonden, waarna het College een nader besluit op bezwaar van 16 juni 2010 heeft genomen. Daarop heeft appellant een reactie gegeven.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 januari 2011. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, werkzaam als fotograaf, ontving vanaf 1998 tot en met 30 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. Aansluitend is hem bijstand toegekend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In 2004 en 2005 heeft appellant een aantal kleine opdrachten gedaan, waaruit hij inkomsten ontving. Naar aanleiding van deze inkomsten is de bijstand herzien en zijn de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd.

1.3. Verder heeft appellant over de jaren 2004 en 2005 een voorlopige teruggave ontvangen van de Belastingdienst aan inkomstenbelasting en omzetbelasting. In verband met deze teruggave heeft het College bij besluit van 14 augustus 2006 het bedrag aan bijstand dat appellant volgens het College daardoor over deze jaren teveel heeft ontvangen, onder aftrek van de reeds op de bijstand in mindering gebrachte inkomsten uit opdrachten, met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB van appellant teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 21 februari 2007 heeft het College, voor zover hier van belang, het besluit van 14 augustus 2006 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 21 februari 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dit ziet op de terugvordering van de teruggave omzetbelasting 2005. Voorts zijn bepalingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat de terugvordering van de teruggave inkomstenbelasting over 2004 en 2005 in rechte stand houdt. Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit op bezwaar van 7 februari 2008 is de terugvordering met betrekking tot de omzetbelasting 2005 ten bedrage van € 366,-- herroepen. Dat besluit is aangevuld bij besluit op bezwaar van 16 juni 2010, waarbij de bezwaren ook gegrond zijn verklaard wat betreft de terugvordering met betrekking tot de teruggave inkomstenbelasting over 2004 en 2005 en waarbij de terugvordering in zoverre is herroepen. Voorts is meegedeeld dat de kosten van de bestuurlijke voorprocedure niet worden vergoed, omdat, kort gezegd, de stukken op grond waarvan het primaire besluit is herzien pas in hoger beroep zijn overgelegd.

3.2. Vervolgens heeft appellant meegedeeld dat hij zijn beroep voortzet, uitsluitend op het punt van het niet toekennen van de kosten in bezwaar bij het besluit van 16 juni 2010. Voorts heeft hij verzocht om vergoeding van proceskosten in hoger beroep.

3.3. Aangezien met het besluit van 7 februari 2008, zoals aangevuld bij besluit van 16 juni 2010, zoals appellant stelt niet volledig aan zijn bezwaren is tegemoet gekomen, strekt het geding in hoger beroep zich op grond van het bepaalde in artikel 6:24 in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uit tot deze nadere besluiten.

4. Met het oog op de thans door appellant nog verlangde vergoeding van kosten in bezwaar overweegt de Raad het volgende.

4.1. Het College heeft bij het besluit op bezwaar van 7 februari 2008, zoals aangevuld bij besluit van 16 juni 2010, geen kosten van bezwaar toegekend. Daartoe is overwogen dat appellant pas in hoger beroep is gekomen met nadere gegevens die inzicht bieden in de grondslag van de teruggave van de inkomstenbelasting, zodat de onrechtmatigheid van het primaire besluit niet aan het College is te wijten.

4.2. De Raad stelt voorop dat de kosten van bezwaar, blijkens het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb, uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende. De Raad heeft in de gedingstukken niet een verzoek van appellant om vergoeding van kosten in bezwaar kunnen ontwaren, dat is gedaan voorafgaand aan het besluit van 16 juni 2010. Daaruit volgt dat het College reeds om die reden niet gehouden was de kosten in bezwaar te vergoeden. In zoverre dient het beroep van appellant dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 7 februari 2008, zoals aangevuld bij besluit van 16 juni 2010, ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2008, zoals aangevuld bij besluit van 16 juni 2010, ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

JL