Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
10-454 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat appellant met de in hoger beroep ingezonden rapportages van bezwaarverzekeringsarts Tan en van bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst en met de ter zitting gegeven nadere toelichting voldoende overtuigend heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/454 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2009, 08/1666 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch. Voor betrokkene is mr. Wolter verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant heeft bij besluit van 1 november 2005 de uitkering die betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving en die was gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 28 december 2005 verlaagd naar een mate van 15 tot 25%. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt welk bezwaar ongegrond is verklaard. Nadat de rechtbank tot twee keer het daartegen gerichte beroep gegrond heeft verklaard, heeft appellant bij besluit van 23 april 2008 het reeds in november 2005 ingenomen standpunt opnieuw gehandhaafd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2008 vernietigd, en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen.

2.2. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat zij bij haar uitspraak van 30 januari 2008 (07/1189WAO) heeft vastgesteld dat tegen haar uitspraak van 2 november 2006 (AWB 06/1659) geen rechtsmiddel is ingesteld waardoor het toen bestreden besluit van 19 april 2006 met betrekking tot het medisch aspect reeds in rechte is komen vast te staan.

2.3. Voorts oordeelt de rechtbank dat met de op 28 februari 2008 opgestelde zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2008 door op het aspect 4.20 (trappenlopen) een beperking “licht beperkt” op te nemen, alsmede een toelichting “op eigen tempo” te geven. Door de wijziging van de FML is de functie inpakker (sbc-code 111190) in de plaats getreden voor de functie productiemedewerker metaal en elektro-industrie

(sbc-code 111170).

2.4. Met betrekking tot het arbeidskundige deel van de schatting oordeelde de rechtbank dat in de functie van medewerker textielindustrie (sbc-code 271140) en de functie van inpakker (sbc-code 111190) op de datum in geding sprake was van aanzienlijke overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene op respectievelijk de onderdelen 4.15.1 (frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk) en 6.2.1. (uren per dag).

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant verwezen naar de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Tan van 12 februari 2010 alsmede de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst van 19 februari 2010. Daarin is nader toegelicht dat en waarom de aan de schatting ten grondslag liggende functies wel passend zijn te achten.

3.2. In het verweerschrift handhaaft betrokkene hetgeen zij in beroep aangaande de geduide functies naar voren heeft gebracht hetgeen er op neerkomt dat betrokkene de arbeidskundige onderbouwing ontoereikend vindt.

4.1. De Raad stelt vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit, zoals de rechtbank reeds heeft geconstateerd, niet in geding is. Gelet op het hoger beroep en het verhandelde ter zitting dient in dit geding de vraag te worden beantwoord of de door appellant geselecteerde functies van medewerker textielindustrie (sbc-code 271140), inpakker (sbc-code 111190), en dan met name de functie binnen deze sbc-code met functienummer 6191-0516-012, en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) voor betrokkene vanuit arbeidskundig oogpunt geschikt zijn te achten.

4.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een deugdelijke motivering van de passendheid van de door appellant geselecteerde functies zoals in 4.1 genoemd ontbrak. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard. De Raad is evenwel van oordeel dat appellant met de in hoger beroep ingezonden rapportages van bezwaarverzekeringsarts Tan en van bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst en met de ter zitting gegeven nadere toelichting voldoende overtuigend heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt. Betrokkene kan blijkens de FML ongeveer acht uur per dag werken en gemiddeld ongeveer 40 uren per week. Tan heeft in de rapportage toegelicht dat er geen sprake is van energetische beperkingen in de vorm van overmatige slaapbehoefte overdag en dat er evenmin sprake is van partiële beschikbaarheid of preventieve urenrestrictie. Ten aanzien van dagwerktijden is er geen reden om aan te nemen dat betrokkene niet vier keer negen uur zou kunnen werken gelet op de activiteiten in het dagelijks functioneren. Aan het verloop van de hoorzitting, waarop betrokkene uitgebreid in haar moedertaal op de haar gestelde vragen heeft geantwoord, heeft de bezwaarverzekeringsarts ontleend, dat sprake is bij betrokkene van een goed cognitief functiesysteem. De Raad is van oordeel dat de onderbouwing overtuigend is.

4.3. Ten aanzien van de functie inpakker 2272.0034.007 (sbc-code 271140) licht de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van het belastingsaspect 4.15.1 (frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk), toe, dat bij dit belastingsaspect met name de frequentie in verhouding tot het gewicht aan de orde is. Zo beoordeeld valt de in de functie voorkomende belasting van 120 keer hanteren van een gewicht van respectievelijk 2 en 5 kg binnen de marge van haar belastbaarheid. Met betrekking tot belastingaspect 6.2.1 (uren per dag) binnen de functie van inpakster 2084.0015.001 (sbc-code 111190) bestaat er, zoals door bezwaarverzekeringsarts is toegelicht, op medische gronden geen bezwaar tegen een maximale belastbaarheid van negen uur per dag.

Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep, op basis van de aangepaste FML van 22 februari 2008, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de functieduiding in stand kan blijven. Mede gelet op deze nadere motivering is de Raad van oordeel dat de met de functies verbonden belasting valt binnen de belastbaarheid van betrokkene.

4.4. Aangezien de sluitende onderbouwing eerst in hoger beroep is geleverd, en gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht gegrond verklaard en het besluit van 23 april 2008 vernietigd. Nu echter een voldoende onderbouwing is geleverd, is er aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. In zoverre slaagt het hoger beroep.

5. Er is aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, welke kosten worden bepaald op € 874,- zijnde de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstand dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 april 2008 in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H.G. Rottier en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM