Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
08-7277 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering ziekengeld. Werknemersfraude. Niet aannemelijk dat appellant daadwerkelijk heeft gewerkt voor een uitzendbureau en loon heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7277 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 december 2008, 08/643 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Engelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Als tolk was H. Arpat aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 juni 2004 een uitzendovereenkomst aangegaan met [naam uitzendbureau], gevestigd te [vestigingsplaats], waarvan de zoon van appellant directeur was. Appellant is door deze werkgever ingaande 1 oktober 2004 ziek gemeld. Per laatstgenoemde datum heeft het Uwv aan appellant tot en met 28 september 2006 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Op basis van onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt”, zoals neergelegd in het rapport werknemersfraude van 26 juli 2007, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant geen werkzaamheden in dienstverband voor [uitzendbureau] heeft verricht. Bij besluiten van 13 november 2007 heeft het Uwv achtereenvolgens de ZW-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2004 ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 1 oktober 2004 tot en met 28 september 2006 tot een totaalbedrag van € 34.170,96 bruto van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 10 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 13 november 2007 tot intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat appellant een gefingeerd dienstverband had en niet als werknemer in dienstbetrekking werkzaam was, zodat hij op 1 oktober 2004 niet was verzekerd voor de ZW.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het rapport werknemersfraude, zoals dat is afgesloten op 26 juli 2007, voldoende en overtuigende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat appellant niet de overeengekomen of andere werkzaamheden heeft verricht voor [uitzendbureau], op grond waarvan appellant ten tijde van zijn ziekmelding op 1 oktober 2004 verzekerd was ingevolge de ZW en uit dien hoofde aanspraak had op ziekengeld. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat appellant werkzaamheden heeft verricht op basis van en in overeenstemming met de overgelegde uitzendovereenkomst bij inlenende werkgevers. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij in de periode tussen 1 juni 2004 en 1 oktober 2004 voltijds werkzaam is geweest in schoon- en onderhoudswerkzaamheden in of aan het pand waar het uitzendbureau was gevestigd en waar kamers werden verhuurd, heeft de rechtbank overwogen dat daarvoor geen objectieve en verifieerbare waarnemingen zijn gerapporteerd.

3.1. Appellant heeft, onder verwijzing naar de gronden die hij reeds in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat geen volledige heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden omdat het Uwv niet heeft gereageerd op de door hem genoemde jurisprudentie van de Raad. Voorts heeft hij zijn standpunt gehandhaafd dat hij in de aan de orde zijnde periode wel degelijk een reëel, normaal dienstverband heeft gehad met zijn werkgever en dat hij in dat kader werkzaamheden heeft verricht en loon heeft ontvangen. In dat verband heeft hij voorts gesteld dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de door hem overgelegde overeenkomst(en) en loonstroken, zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven dat in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd en dat daarin mitsdien geen aanleiding wordt gezien zijn standpunt te wijzigen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 juli 2010, LJN BN0957, dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking van appellant met [uitzendbureau].

4.2. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het fraudeonderzoek van het Uwv zorgvuldig is verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat in het geval van appellant geen sprake is geweest van een dienstbetrekking met [uitzendbureau]. Het rapport werknemersfraude van 26 juli 2007 (met bijlagen) biedt voldoende basis voor de conclusie dat er bij [uitzendbureau] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met appellant. Uit dat rapport blijkt dat appellant op het formulier arbeidsongeschiktheid van 1 oktober 2004 aanvankelijk heeft verklaard dat hij werkzaam was als productiemedewerker, terwijl hij blijkens het proces-verbaal van verhoor van 30 mei 2007 tegenover de opsporingsambtenaren heeft verklaard dat zijn werkzaamheden bestonden uit het schoonmaken van kamers en keukens boven het pand waarin [uitzendbureau] was gevestigd en dat hij enkele dagen via het uitzendbureau bij [inlener] heeft gewerkt. Overigens blijkt niet dat appellant, ondanks het bestaan van een uitzendovereenkomst, bij inleners werkzaam is geweest. Mitsdien is naar het oordeel van de Raad geen sprake van consistente gegevens met betrekking tot de door appellant verrichte werkzaamheden. Daaraan voegt de Raad nog toe dat appellant op zijn aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft ingevuld dat hij werkzaam is geweest als schoonmaker van bedrijfshallen of recreatieparken. De van de zijde van appellant ingebrachte getuigenverklaringen zijn evenmin in die mate consistent dat op basis daarvan tot een andersluidend oordeel zou moeten worden gekomen. Wat betreft de overgelegde loonstroken en de in hoger beroep overgelegde betalingskwitanties verwijst de Raad naar het proces-verbaal van het verhoor van appellant, die eerder heeft verklaard dat hij van de contante betalingen geen kwitanties kreeg, alsmede naar het proces-verbaal van het verhoor van de zoon van appellant, de directeur van [uitzendbureau], die in zijn verklaring ten overstaan van de FIOD heeft aangegeven dat op grote schaal betalingskwitanties van werknemers werden opgemaakt om de administratie rond te krijgen, terwijl de werknemers niet voor [uitzendbureau] hadden gewerkt. Mitsdien kan ook daar niet de waarde aan worden toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien. In dit verband kan een verwijzing door appellant naar de uitspraak van de Raad van 12 december 2007, LJN BC1479, geen ander licht op de zaak werpen.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant niet daadwerkelijk vanaf 1 juni 2004 tot 1 oktober 2004 werkzaam is geweest in dienst van [uitzendbureau] en over de door hem gestelde periode loon heeft ontvangen, voordat hij per 1 oktober 2004 een ZW-uitkering aanvroeg. De Raad acht zich op basis van de beschikbare informatie voldoende voorgelicht om tot het oordeel te komen dat het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1. tot en met 4.4 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.R. van der Vos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20.303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

CVG