Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
08-6898 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6898 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 november 2008, 08/630 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 15 april 2009 is namens appellant een brief van 23 maart 2009 van fysiotherapeut R.B. Dessauvagie overgelegd, alsmede een expertiserapport van maart 2009 van psychiater V.M. Artist.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een brief van 3 november 2009 van psychiater E.F. van Ittersum, een rapport van 18 november 2009 van bezwaarverzekeringsarts M. Keus, een rapport van 9 december 2009 van bezwaarverzekeringsarts Keus en een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 november 2009 inzake het geschil over de Ziektewet (ZW) van appellant.

Bij brief van 30 november 2010 is namens appellant een reactie van 10 oktober 2010 van psychiater Artist ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011. Namens appellant is mr. Timmer verschenen. Namens het Uwv is verschenen M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als medewerker tuinbouw. Voor deze werkzaamheden meldde hij zich op 16 februari 2001 arbeidsongeschikt wegens nek- en schouderklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 16 december 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts G.W. Alibahadoer appellant onderzocht tijdens een spreekuur en dossierstudie verricht, waarbij zij kennis heeft genomen van de door de huisarts van appellant op 23 oktober 2006 verstrekte medische informatie. Tevens heeft er op verzoek van de verzekeringsarts een onderzoek plaatsgevonden door psychiater Van Ittersum. In zijn rapport van 13 maart 2007 heeft Van Ittersum geconcludeerd dat er auto anamnestisch sprake is van het horen van stemmen, een hallucinatoir beeld of pseudo-hallucinatoir beeld. Tijdens onderzoek zijn er echter geen aanwijzingen voor een ziekte in psychiatrische zin, appellant toont geen tekenen van een stemmingsstoornis of een psychose en er zijn geen duidelijke persoonlijkheidsstoornissen waarneembaar. Gelet op de discrepantie tussen de klachten van appellant en zijn presentatie tijdens het onderzoek, is het voor Van Ittersum niet mogelijk consistente belemmeringen aan te geven. Naar aanleiding van het expertiserapport heeft verzekeringsarts Alibahadoer op 3 april 2007 aanvullend gerapporteerd en een FML opgesteld, waarin appellant op een aantal punten beperkt wordt geacht wat betreft persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast is appellant vanwege zijn lichamelijke klachten beperkt geacht voor zware fysieke werkzaamheden, geen zwaar til- en draagwerk en geen klimwerkzaamheden. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige E. Krijgsman in zijn rapport van 7 juni 2007 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op nihil. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 augustus 2007 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts M. Keus. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft deze bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 december 2007 geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de FML van 3 april 2007, niet is overschat. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en in zijn rapport van 17 december 2007 geconcludeerd dat alle geduide functies ongewijzigd passend kunnen worden geacht. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2007 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft bezwaarverzekeringsarts Keus in zijn rapport van 10 juli 2008, onder verwijzing naar de brief van Van Ittersum van 27 mei 2008, voldoende gemotiveerd waarom de brief van 5 december 2007 van behandelend psychiater R.W. Jessurun geen aanleiding geeft om de belastbaarheid van appellant te wijzigen. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en wasserijmedewerker (sbc-code 272020) in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn belastbaarheid door het Uwv is overschat. Dientengevolge acht hij zich niet in staat om de geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant de in rubriek I vermelde medische stukken overgelegd, waaronder een expertiserapport van maart 2009 van psychiater Artist. Tevens is appellant van mening dat, nu Van Ittersum voor het eerst in zijn brief van 27 mei 2008 de diagnose psychotische stoornis NAO heeft gesteld, Van Ittersum ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er bij appellant ondanks deze stoornis geen sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Met betrekking tot het rapport van Artist is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Keus in zijn rapportage van 18 november 2009, onder verwijzing naar de brief van Van Ittersum van 3 november 2009, genoegzaam heeft gemotiveerd waarom het rapport van Artist geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. Keus kan zich volledig vinden in het oordeel van Van Ittersum dat de conclusie van Artist dat appellant ook in augustus 2007 al nauwelijks tot het verrichten van werkzaamheden in staat kan worden geacht, voornamelijk is gebaseerd op het klachtenpatroon van appellant en niet is gemotiveerd met een objectief medische onderbouwing. Daarbij ligt de onderzoeksdatum van Van Ittersum aanzienlijk dichter in de tijd bij de datum in geding van 20 augustus 2007 dan de onderzoeksdatum van Artist. De Raad heeft een dergelijke objectief medische onderbouwing evenmin aangetroffen in de door Artist in hoger beroep gegeven reactie van 10 oktober 2010. Wat betreft de brief van 5 december 2007 van psychiater Jessurun is de Raad met de rechtbank van oordeel dat Van Ittersum in zijn brief van 27 mei 2008 voldoende heeft gemotiveerd dat hij zich weliswaar kan vinden in een deel van de door Jessurun op As I gestelde diagnose, namelijk wat betreft een psychotische stoornis NAO, maar dat dit niet leidt tot meer beperkingen bij appellant. De brief van 23 maart 2009 van behandelend fysiotherapeut R.B. Dessauvagie geeft evenmin reden tot twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit, aangezien daaruit naar voren komt dat appellant eerst anderhalf jaar na de datum in geding bij deze fysiotherapeut in behandeling is gekomen. Daarbij bevat deze brief geen nieuwe medische gegevens die een ander licht werpen op de belastbaarheid van appellant ten tijde van de datum in geding.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, heeft de Raad geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn.

5.4. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.R. van der Vos.

KR