Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
08-18 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/18 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 december 2007, 06/3641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op de namens appellant nader ingebrachte stukken heeft het Uwv bij rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellant is bij zijn gemachtigde, P.J. Reeser, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het naar zijn oordeel niet volledig is geweest.

Bij brief van 17 augustus 2010 met bijlagen heeft het Uwv geantwoord op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011. Met schriftelijke kennisgeving is appellant niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoerige uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2. Appellant is in hoger beroep gekomen voor zover in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het (bestreden) besluit van 15 juni 2007 ongegrond is verklaard. De gronden van appellant zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit waarbij de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 juni 2005 is herzien naar de arbeidsongeschiktheidklasse 55 tot 65%.

Hij heeft volhard in zijn stellingen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat de werkzaamheden in de resterende aan hem voorgehouden functies niet geschikt zijn. Appellant geeft aan dat naast de ernstige hoofdpijn- en nekklachten, waardoor hij eind 1999 is uitgevallen voor zijn werk van installateur van bedden, er klachten zijn die aannemelijk maken dat er meer aan de hand is en die een psychische achtergrond hebben. Ter ondersteuning van deze stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met deze klachten, heeft appellant in hoger beroep overgelegd een brief van de GGZ Noord-Holland van 10 november 2008 met een DSM IV-diagnose, een verslag van een psychologisch (test)onderzoek GGZ van 19 mei 2008 waarbij tevens zijn cognitieve functies zijn onderzocht en een lijst met medicijnen. Hieraan valt te ontlenen dat bij appellant een depressieve stoornis en een (sociale) angststoornis zijn vastgesteld die hem het vervullen van de geduide functies verhinderen.

Met betrekking tot die functies heeft appellant aangevoerd dat de functies huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen/medewerker interne dienst (sbc-code 111334) in wezen dezelfde functies zijn, zodat onvoldoende functies de schatting dragen.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend sector op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad voegt hier aan toe dat verzekeringsarts J. Coehoorn in zijn rapportage van 23 december 2004 heeft geconcludeerd dat, hoewel de hoofdpijnklachten niet goed geobjectiveerd kunnen worden, er gelet op de consistentie in deze klachten en de hypertone halsspieren appellant aangewezen is op licht werk waarbij hij niet teveel hoeft te bukken en waarbij rekening gehouden wordt met concentratiestoornissen als gevolg van hoofdpijn. Voorts is deze arts van mening dat als gevolg van de dysthymie en chronische pijn appellant meer recuperatietijd nodig heeft en daardoor energetisch beperkt is. Hiervoor acht deze arts een urenbeperking van maximaal ongeveer 4 uur per dag geïndiceerd. Voor de pijn in de linkerlies ziet de verzekeringsarts geen objectieve afwijking. De door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 maart 2005. Verzekeringsarts

M. van de Erve heeft zich blijkens de rapportage van 20 januari 2005 hiermee kunnen verenigen. In de nadere rapportages van 30 juni 2005 en 18 oktober 2006, heeft bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier voldoende gemotiveerd waarom er, gelet op de hoofdpijnklachten en arm- en liesklachten, er geen aanleiding is de FML bij te stellen.

Op de in beroep overgelegde medische informatie van anesthesioloog A.C.M. Vervest, de huisarts en het medicijngebruik, heeft bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier bij rapportages van 21 februari 2007, 5 maart 2007 en 15 mei 2007 voldoende gemotiveerd gereageerd. De Raad wijst op de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en maakt deze tot de zijne.

Wat betreft de medische informatie in hoger beroep inzake de psychische klachten heeft bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier bij haar rapportages van 1 december 2008, 19 januari 2009, 2 februari 2009 met juistheid gesteld dat de sedert het jaar 2008 ingezette behandeling bij de GGZ als gevolg van een verslechtering van de depressieve klachten en angstklachten met suïcidale gedachten, ruim na de datum in het geding is gelegen. Voorts merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat ten tijde van datum in geding, onderkend is dat appellant psychische klachten (dysthymie) had en dat daarmee in de FML van 14 maart 2005 voldoende rekening is gehouden door de beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden aan te nemen. Gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens ziet de Raad geen aanleiding om aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Daarom is terecht uitgegaan van de beperkingen en belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de FML van 14 maart 2005.

3.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de arbeidsdeskundige de volgende functies aan de schatting ten grondslag heeft gelegd: productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043), huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334), huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), inpakker (sbc-code 111190) en besteller (sbc-code 282102). Blijkens de bezwaararbeidskundige rapportage van 9 augustus 2010 wordt de functie van besteller alsnog verworpen. De Raad overweegt met betrekking tot het arbeidskundig standpunt van appellant, dat, wat er ook zij van dit standpunt, het betoog van appellant niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit reeds omdat, indien niet dan wel van één van deze functies (sbc-codes 111333 en 111334) wordt uitgegaan, de schatting mede wordt gedragen door de zogenoemde reservefuncties productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en inpakker (sbc-code 111190). Tot slot is de Raad van oordeel dat met de Notities Functiebelasting van 22 februari 2005 en daarbij gevoegd de bezwaararbeidsdeskundige rapportages van 9 maart 2007, 14 juni 2007 en 9 augustus 2010, deugdelijk gemotiveerd is dat de functiebelasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en dat de functies voor appellant geschikt zijn te achten.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM