Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
10-3256 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de deskundige Schuppers een helder en consistent rapport heeft uitgebracht. Bij het selecteren van de functies is de arbeidsdeskundige uitgegaan van de voor appellante aangenomen beperkingen. Ook met de door Schuppers aangenomen extra beperkingen overschrijdt de belasting in de drie resterende functies de belastbaarheid van appellante niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3256 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 29 april 2010, 08/268 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kleyn van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als groepsleerkracht in het basisonderwijs toen zij in 1985 uitviel met rugklachten. Bij het einde van de wachttijd is zij volledig arbeidsongeschikt geacht. Diverse heronderzoeken hebben steeds tot hetzelfde resultaat geleid. In december 2006 is appellante opgeroepen voor een heronderzoek in het kader van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit sedert 1 oktober 2004 luidde. Een verzekeringsarts heeft appellante onderzocht, geconcludeerd dat nog steeds sprake was van rugproblematiek, in verband daarmee beperkingen aangenomen en deze neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na functieselectie heeft een arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt diende te worden geacht. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2007 de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 26 maart 2007 ingetrokken. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. Hangende het bezwaar heeft het Uwv bij brief van 18 juni 2007 appellante meegedeeld dat zij alsnog zal worden herbeoordeeld met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat luidde tot 1 oktober 2004. Hierop heeft een bezwaararbeidsdeskundige een nieuwe arbeidskundige beoordeling uitgevoerd, hetgeen leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van 15,8%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 4 oktober 2007 het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2007 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Bij nieuw primair besluit van 5 oktober 2007 is de WAO-uitkering van appellante per 5 december 2007 herzien en nader vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3. Bezwaarverzekeringsarts M. Achterberg heeft appellante gezien op de hoorzitting en de FML bevestigd. Vervolgens is bij besluit van 8 februari 2008 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het betreft de mate van arbeidsongeschiktheid, maar is de herziening van de WAO-uitkering van appellante geëffectueerd per 6 december 2007.

2. De rechtbank heeft in het kader van de behandeling van het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep de orthopedisch chirurg H.A. Schuppers om advies gevraagd. In zijn rapport van 14 september 2009 heeft Schuppers voor appellante meer beperkingen aangenomen dan in de FML waren aangegeven. De rechtbank heeft de conclusies van Schuppers overgenomen met uitzondering van de door deze aangenomen extra beperking op het aspect duwen en trekken. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante door het Uwv niet helemaal juist was vastgesteld, waardoor het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag berustte. Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepalingen gegeven ten aanzien van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ook met de extra beperkingen voldoende functies overblijven om de schatting op te kunnen baseren. Op basis van die functies blijft de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Daarop heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Appellante meent dat, gelet op de conclusies van de deskundige Schuppers, alle geselecteerde functies voor haar ongeschikt moeten worden geacht. Appellante acht zich beperkt ten aanzien van deadlines en productiepieken. Bovendien kan naar de mening van appellante het werktempo in de betreffende functies niet worden aangepast aan haar tempo. Appellante meent dat de belasting in de functies zwaarder is dan de belasting in het dagelijks leven. Appellante stelt zich dan ook op het standpunt dat een urenbeperking aan de orde is.

4. Het Uwv heeft dit standpunt bestreden. Het Uwv acht een urenbeperking niet nodig nu relevante medische beperkingen zijn aangenomen. Bovendien is appellante niet beperkt geacht voor deadlines en productiepieken.

5. De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

5.1. De Raad stelt vast dat, anders dan appellante heeft gesteld, zij niet beperkt is geacht ten aanzien van deadlines en productiepieken. Appellante heeft geen objectief medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven om op dat aspect alsnog een beperking aan te nemen.

5.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de deskundige Schuppers een helder en consistent rapport heeft uitgebracht. Naar aanleiding van de door appellante en het Uwv ingezonden commentaren heeft Schuppers zijn standpunt deugdelijk gemotiveerd aangepast voor zover het betreft de belastbaarheid van appellante op het aspect duwen en trekken en voor het overige gehandhaafd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank uit de conclusies van de deskundige Schuppers terecht opgemaakt dat hij de functies boekhouder, kassier, loonadministrateur (SBC-code 515070), commercieel administratief medewerker (SBC-code 516110) en schadecorrespondent (SBC-code 516080) voor appellante geschikt achtte.

5.3. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat de belasting in de drie resterende functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt. Bij het selecteren van de functies is de arbeidsdeskundige uitgegaan van de voor appellante aangenomen beperkingen. Ook met de door Schuppers aangenomen extra beperkingen overschrijdt de belasting in de drie resterende functies de belastbaarheid van appellante niet. Voorts is de Raad van oordeel dat uit de opmerking van Schuppers dat hij zich niet kan uitspreken over de werktijden, niet de conclusie kan worden getrokken dat voor appellante een urenbeperking dient te worden aangenomen. Schuppers zegt alleen dat hij niet kan beoordelen of de functies qua belasting zwaarder zijn dan de belasting in het dagelijks leven van appellante. Appellante heeft geen objectief medische gegevens ingebracht die erop duiden dat desondanks, hetzij preventief, hetzij vanwege energetische beperkingen, een urenbeperking aan de orde zou kunnen zijn.

5.4. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.R. van der Vos.

CVG