Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09-1772 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de ZW. De overeenkomst tussen Manpower en appellant voortgekomen uit een Sociaal Plan van de vorige werkgever kan niet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst die heeft geleid tot een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW. Mitsdien was appellant niet op grond van de ZW verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1772 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 februari 2009, 08/2085 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Sieben, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011. Voor appellant is mr. Sieben verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij [werkgever]. In het kader van de sluiting van deze vestiging van Philips is een Sociaal Plan (SP) opgesteld. Blijkens het daarbij behorende Akkoord uitvoeringsmaatregelen van 22 april 2004 zijn de boventallige medewerkers voor de volgende keus gesteld: (a) ontslag nemen, waarbij de regels van vrijwillig ontslag van toepassing zijn, of (b) overgaan naar een scholings- of bemiddelingsbureau waarbij de medewerker een dienstverband krijgt aangeboden met een bemiddelingsbureau. Indien de medewerker noch (a) noch (b) kiest dan zou gedwongen ontslag volgen.

1.2. Appellant heeft gekozen voor optie (b). Daartoe is hij op 1 december 2005 met Manpower Uitzendorganisatie BV (hierna: Manpower) een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan - de zogeheten flexovereenkomst - teneinde arbeidsmarktbemiddeling en scholing gericht op het vinden van werk te ontvangen. Op basis van drie daaropvolgende flexovereenkomsten is appellant tot 1 juni 2008 bij Manpower in dienst gebleven. Gedurende die periode is het Manpower niet gelukt om voor appellant een passende nieuwe baan te vinden.

1.3. Op 26 maart 2007 is appellant vanwege een ernstige ziekte uitgevallen. Tot einde dienstverband heeft Manpower het loon van appellant doorbetaald. Bij besluit van 1 juli 2008, zoals gehandhaafd bij besluit van 7 november 2008 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 1 juni 2008 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Volgens het Uwv is appellant niet in dienstbetrekking bij Manpower werkzaam geweest, aangezien hij geen persoonlijke arbeid heeft verricht. Daardoor was volgens het Uwv niet voldaan aan het bepaalde van artikel 3 van de ZW en is appellant niet verzekerd geweest op grond van die wet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geoordeeld dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de ZW. Volgens de rechtbank is de feitelijke invulling van de flexovereenkomsten, zoals ook door het SP was bedoeld, gericht geweest op scholing en bemiddeling naar werk en hebben de vierwekelijkse loonbetalingen geen enkele relatie gehad met het verrichten van feitelijke werkzaamheden.

3.1. Appellant heeft zich met het oordeel van de rechtbank niet kunnen verenigen. In hoger beroep wordt het standpunt herhaald dat de tussen Manpower en appellant gesloten overeenkomst wel degelijk moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, omdat aan alle eisen die aan een arbeidsovereenkomst worden gesteld, wordt voldaan. Zo is er sprake van een overeenkomst voor bepaalde tijd, van een gezagsverhouding, van de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden indien appellant daartoe wordt opgeroepen en van een verplichting tot het betalen van loon. Het enkele feit dat appellant tot het moment van zijn uitval op 26 maart 2007 nooit door Manpower is opgeroepen om arbeid te verrichten, maakt dat volgens hem niet anders.

3.2. Het Uwv heeft in een gemotiveerd verweerschrift de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het dienstverband van appellant met [werkgever] met ingang van 1 december 2005 is beëindigd. Ook niet in geschil is dat appellant in het kader van het SP met Manpower per genoemde datum tot 1 december 2006 een arbeidsovereenkomst is aangegaan, welke overeenkomst vervolgens tot drie keer toe met zes maanden is verlengd tot 1 juni 2008. Blijkens de considerans van de arbeidsovereenkomst voorziet het SP in een begeleidings- en bemiddelingsprogramma en worden de deelnemers aan dat programma in de gelegenheid gesteld om een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan met Manpower. Het doel van het programma en de arbeidsovereenkomst met Manpower is om - onder meer via tijdelijke korte of langere plaatsingen bij opdrachtgevers van Manpower of door hen aan te wijzen derden - een passende nieuwe baan voor de werknemer te vinden buiten Manpower. In de periode dat appellant aan Manpower verbonden was, heeft hij cursussen gevolgd, zoals het leren opstellen van een profiel en een sollicitatiecursus. Manpower heeft appellant nimmer een aanbod voor een passende baan gedaan en evenmin opgeroepen arbeid te verrichten.

4.2. Gelet op het voorgaande moet de conclusie worden getrokken dat appellant tijdens zijn arbeidsovereenkomst met Manpower geen feitelijke werkzaamheden in een dienstbetrekking heeft verricht. Dat dit het gevolg is van het feit dat Manpower appellant nimmer een baan heeft aangeboden, doet daaraan niet af. In dit licht kan de overeenkomst tussen Manpower en appellant niet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst die heeft geleid tot een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW. Mitsdien was appellant niet op grond van de ZW verzekerd. Het Uwv heeft aldus terecht geweigerd om appellant met ingang van 1 juni 2008 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.3. Met betrekking tot het eerst ter zitting van de Raad gedane beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel stelt de Raad vast dat appellant zijn stelling ter zake niet nader heeft onderbouwd, zodat deze grond reeds daarom niet kan slagen.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.R. van der Vos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

TM