Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
10-1087 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medisch en arbeidskundige grondslag. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad, met de rechtbank, van oordeel gelet op de rapporten van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige van 26 februari 2009 en 1 april 2009 de in het resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen voldoende zijn toegelicht. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat appellant medisch gezien in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1087 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2010, 09/1284 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Boon, advocaat te IJsselstein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 30 maart 2010 overgelegd.

Bij brief van 21 januari 2011 heeft appellant nadere medische stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.E.M. Wielinga-Van Dillen, kantoorgenoot van mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 6 november 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 2 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 7 januari 2009 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedraagt.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door het Uwv voldoende gemotiveerd is aangegeven waarom appellant thans ondanks het voortbestaan van zijn klachten in staat wordt geacht arbeid te verrichten terwijl hij 13 jaar, met dezelfde klachten, volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Voorts stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 maart 2009 als juist heeft aangenomen. In de FML zijn naar zijn mening met name de bij hem aanwezige psychische- en energetische beperkingen onderschat. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de specifieke beperkingen welke door zijn medicijngebruik worden veroorzaakt. Appellant is tevens van mening dat de rechtbank ten onrechte de geduide functies passend heeft geacht. Appellant stelt dat zijn belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden en dat de in de resultaat functiebelasting voorkomende signaleringen onvoldoende zijn toegelicht. Tot slot verzoekt appellant de Raad een onderzoek door een deskundige te gelasten.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Appellant is naar aanleiding van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit onderzocht door de verzekeringsarts M. Slebioda. Deze heeft op basis van eigen onderzoek en bestudering van de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder een op zijn verzoek door psychiater E.F. van Ittersum op 27 augustus 2008 uitgebracht rapport, de diagnose stoornis in de impuls controle NAO en trekken van een anti sociale persoonlijkheidsstoornis gesteld. Uit het door de verzekeringsarts opgestelde rapport van 8 oktober 2008 volgt dat appellant beperkt is ten aanzien van psychische druk van buitenaf, conflicthantering en conflicterende functie- eisen en samenwerking met collega’s. Voorts dient passend werk gestructureerd van aard te zijn en geen leidinggevende aspecten te bevatten. Deze beperkingen zijn in een FML van gelijke datum beschreven.

5.2. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts G.H. Nagtegaal het dossier bestudeerd, waaronder het in het kader van een eerdere procedure in opdracht van de rechtbank opgestelde expertiserapport van 20 augustus 2002 van A.H.M. Petre-Olsthoorn, (destijds) arts-assistent psychiatrie (onder supervisie van psychiater F.C. Bos) en het rapport van psychiater Van Ittersum van 27 augustus 2008. Voorts is de bezwaarverzekeringsarts op de hoorzitting van 31 maart 2009 aanwezig geweest. Op basis van de bevindingen uit zijn onderzoek achtte de bezwaarverzekeringsarts argumenten aanwezig om, gezien het medicatiegebruik van appellant, beperkingen aan te nemen ten aanzien van het werken op gevaaropleverende werkplekken en de FML op dit punt aan te passen. Voorts motiveert de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 31 maart 2009 dat appellant niet voldoet aan de criteria van geen duurzame benutbare mogelijkheden, zoals in het Schattingsbesluit omschreven, en motiveert hij tevens het verschil in appellants per de datum in geding geldende medische situatie en hierbij behorende beperkingen ten opzichte van de situatie zoals deze gold per 2002.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig te achten, noch om de juistheid van de conclusie daarvan in twijfel te trekken. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts beschikte over voldoende medische informatie over appellant, dat uit de aangepaste FML van 31 maart 2009 duidelijk naar voren komt dat met zowel appellants psychische klachten als met zijn medicatiegebruik rekening is gehouden en voorts gemotiveerd is aangegeven waarom de medische situatie, anders dan appellant blijkbaar ervaart, niet vergelijkbaar is met die aanwezig op de datum in geding.

5.3. De Raad ziet geen aanleiding voor het raadplegen van een deskundige.

5.4. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad, met de rechtbank, van oordeel gelet op de rapporten van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige van 26 februari 2009 en 1 april 2009 de in het resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen voldoende zijn toegelicht. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat appellant medisch gezien in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

NW