Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09-2977 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering wegens detentie. Er was sprake van elektronische detentie van appellante. Op appellanten was de uitsluitingsgrond bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet van toepassing zodat appellanten recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden. Vernietiging en herroeping bestreden besluit. Het College wordt veroordeeld in de kosten van bezwaar en de proceskosten in beroep en hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/133
ABkort 2011/137

Uitspraak

09/2977 WWB

09/2978 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante) en [Appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2009, 08/583 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Olof, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, op het door appellanten nader ingezonden stuk een schriftelijke reactie gegeven en op verzoek van de Raad een faxbericht van de Dienst Justitiële Inrichtingen ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 22 april 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een schriftelijk signaal van het Inlichtingenbureau waarop staat vermeld ‘Insluiting - Dienst Justitiële Inrichtingen’ met als start- en einddatum 29 augustus 2007 respectievelijk 30 augustus 2007, heeft het College bij besluit van

24 september 2007 de bijstand van appellanten met ingang van 29 augustus 2007 ingetrokken. Voorts heeft het College bij besluit van 4 oktober 2007 aan appellant over de periode van 29 augustus 2007 tot en met 30 augustus 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tenslotte heeft het College bij besluit van 10 oktober 2007 aan appellanten met ingang van 31 augustus 2007 weer bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden.

1.3. Bij besluit van 13 februari 2008, voorzover in dit geding van belang, heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 24 september 2007 en4 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat appellante op 29 augustus 2007 en 30 augustus 2007 gedetineerd is geweest in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland en dat zij over die dagen ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen recht had op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 13 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat aan appellante op 29 augustus 2007 en 30 augustus 2007 rechtens haar vrijheid was ontnomen in de zin van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.2. In artikel 13, derde lid, van de WWB, in samenhang met het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid (Stb. 2000, 53, zoals sedertdien gewijzigd; hierna: het Besluit), is voorzien in een aantal uitzonderingen op de uitsluiting van het recht op bijstand van degenen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit betreft dit personen die deelnemen aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).

4.3. Tussen partijen is niet meer in geschil dat op de in geding zijnde dagen sprake was van elektronische detentie van appellante. Gelet op de in hoger beroep overgelegde brief van 30 juli 2009 van het Ministerie van Justitie staat vast dat appellante met ingang van 29 augustus 2007 heeft deelgenomen aan een penitentiair programma en dat zij gedurende dit programma heeft verbleven op [naam straat] te [woonplaats], het woonadres van appellanten. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van Raad aannemelijk geworden dat appellante tot de groep van personen behoorde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit. Op appellanten was dus de uitsluitingsgrond bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet van toepassing zodat appellanten op 29 augustus 2007 en 30 augustus 2007 recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden. Dit leidt tot de conclusie dat het College niet bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellanten met ingang van 29 augustus 2007.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 13 februari 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet in hetgeen onder 4.3 is overwogen voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de besluiten van 24 september 2007 en 4 oktober 2007 te herroepen.

5.1. Op het verzoek van appellanten om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand overweegt de Raad het volgende.

5.2. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

5.3. Nu de primaire besluiten worden herroepen, dienen deze besluiten als onrechtmatig te worden aangemerkt. Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan een gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat het onrechtmatige primaire besluit is genomen.

5.4. Van dit laatste is naar het oordeel van de Raad geen sprake. De primaire besluiten zijn genomen naar aanleiding van het onder 1.2 genoemde signaal van het Inlichtingenbureau. De Raad stelt vast dat uit dit signaal enkel kan worden afgeleid dat appellante op 29 augustus 2007 en 30 augustus 2007 was ingesloten. Uit dit signaal kan niet worden opgemaakt of appellante behoorde tot de in het Besluit genoemde categorieën van personen die wel recht hebben op bijstand. Het College heeft naar de wijze van detentie voorafgaande aan het nemen van de primaire besluiten geen onderzoek gedaan. Pas nadat appellanten in de bezwaarfase naar voren hadden gebracht dat gedurende de in geding zijnde periode sprake was van elektronische detentie, heeft het College nader onderzoek naar de wijze van detentie verricht. Tegen deze achtergrond is de Raad van oordeel dat het College bij de voorbereiding van de primaire besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis heeft vergaard over de relevante feiten. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het aan appellanten te wijten is dat de primaire besluiten zijn genomen.

5.5. Nu ook aan de overige voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb wordt voldaan, ziet de Raad aanleiding om het College op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellanten in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

5.6. De Raad ziet voorts aanleiding het College op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. De Raad ziet in hetgeen het College naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat geen sprake is van door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs gemaakte kosten. Daarbij betrekt de Raad dat het College op 28 april 2008 beschikte over een faxbericht van de Dienst Justitiële Inlichtingen waaruit bleek van elektronische detentie van appellante, welk bericht niet aan de rechtbank is doorgezonden. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 februari 2008;

Herroept de besluiten van 24 september 2007 en 4 oktober 2007;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.610,--;

Bepaalt dat het College aan appellanten het door hen in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk- Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

HD