Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5565

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
08-6561 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6561 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2008, 08/745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Mr. H.G.A.M. Halfers, kantoorgenoot van mr. Matadien, heeft een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Partijen zijn door de Raad opgeroepen om daar bij gemachtigde te verschijnen. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam zoon] en mr. M.N.R. Nasrullah, kantoorgenoot van mr. Matadien. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. el Fizazi, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 november 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tot en met 30 september 2006 ontving appellant bijstand naar de norm voor gehuwden en vanaf 1 oktober 2006 naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellant heeft op het rechtmatigheidsformulier over december 2006 vermeld dat hij weer bij zijn vrouw en kinderen woont. In een gesprek dat appellant daarover op 24 januari 2007 heeft gevoerd met een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: DSZW) kwam naar voren dat de drie oudste inwonende kinderen, [J.], [A.] en [I.], niet studeren en niet werken. Appellant is geadviseerd deze kinderen te wijzen op de mogelijkheid om bijstand aan te vragen. Bij besluit van 23 februari 2007 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 december 2006 gewijzigd in een uitkering naar de norm voor gehuwden onder verlaging van de norm met 10% wegens het kunnen delen van de kosten. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Appellant heeft op 20 juni 2007 voldaan aan het verzoek van de DSZW om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt wanneer de onder 1.2 genoemde kinderen met hun studie zijn gestopt.

1.4. Het College heeft bij besluit van 23 augustus 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 19 oktober 2007, de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2006 herzien op de grond dat hij twee inwonende kinderen heeft ouder dan 21 jaar die geen opleiding meer volgen en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.345,62 van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 7 januari 2008, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 oktober 2007 in zoverre gegrond verklaard dat de bijstand over de periode van 22 april 2005 tot en met 30 september 2006 wordt herzien en het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 3.609,90.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 januari 2008 ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden dat hij de schending van de inlichtingenverplichting niet langer betwist en dat de mate van verwijtbaarheid aan deze schending niet kan afdoen. In dit verband stelt appellant dat hem niet redelijkerwijs duidelijk was dat de informatie over zijn inwonende kinderen van belang kon zijn voor zijn recht op bijstand en dat hij de gegevens over zijn kinderen al mondeling aan zijn WWB-consulent had doorgegeven. Verder brengt het feit dat hij alle kosten van levensonderhoud van zijn inwonende niet verdienende kinderen voor zijn rekening heeft moeten nemen volgens appellant mee dat hij die kosten niet kan delen met deze kinderen, en vormt dit feit in ieder geval een dringende reden om van terugvordering van bijstand af te zien. Tot slot is appellant van mening dat de besluiten van het college een schending opleveren van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

3.2. Het College handhaaft zijn standpunt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van zijn twee inwonende niet studerende kinderen ouder dan 21 jaar, als gevolg waarvan te veel bijstand is verleend, en dat het bevoegd was om tot herziening van en terugvordering van de bijstand over te gaan.

4. Naar aanleiding hiervan komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 26 van de WWB kan het College de norm, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdelen b en c, en artikel 21, onderdeel c, verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30. Ter uitvoering van deze bepaling heeft de raad van de gemeente Rotterdam de Verordening Toeslagen en verlagingen WWB 2004 (hierna: de verordening) vastgesteld, die op 1 mei 2004 in werking is getreden.

4.2. Artikel 4 van de Verordening luidt als volgt:

“1. De norm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

2. De verlaging bedraagt 10% van het netto minimumloon voor de gehuwden in wier woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de verlaging achterwege voor:

a. (…);

b. de gehuwden in wier woning uitsluitend hun hoofdverblijf hebben:

- één of meer anderen jonger dan 21 jaar, dan wel

- één of meer kinderen van 21 jaar of ouder die geen recht op bijstand hebben omdat zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.”

4.3. De Raad stelt vast dat de - op 30 mei 1983 geboren - dochter [J.] van appellant in de hier in geding zijnde periode van 22 april 2005 tot en met 30 september 2006 haar hoofdverblijf had in de woning van haar ouders, ouder was dan 21 jaar en geen studiefinanciering ontving op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Dit gold vanaf 9 april 2006 ook voor de - op 9 april 1985 geboren - zoon [A.]. Dit betekent dat [J.] en [A.] geen ten laste komende kinderen waren als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder e, van de WWB en daarom niet in de gezinsbijstand waren begrepen. In het voorgaande ligt besloten dat in de woning van appellant en zijn echtgenote gedurende de gehele periode in geding ten minste een ander zijn hoofdverblijf had als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Verordening. De uitzonderingen, vermeld in artikel 4, derde lid, van de Verordening zijn in dit geval niet aan de orde, zodat het College bevoegd was de norm voor gehuwden van appellant te verlagen met 10%.

4.4. De Raad ziet in de omstandigheid dat [J.] en [A.] ten tijde hier van belang geen inkomsten hadden en dat appellant in hun kosten van levensonderhoud heeft moeten voorzien geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van hen niet kan worden gesproken van het 'kunnen delen' van kosten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet is gebleken dat [J.] en [A.] niet redelijkerwijs konden beschikken over een inkomen uit arbeid dan wel over een bijstandsuitkering.

4.5. Appellant heeft niet betwist en ook de Raad stelt vast dat appellant de rechtmatigheidsformulieren over de maanden april 2005 tot en met september 2006 niet correct heeft ingevuld. Als gevolg daarvan was bij het College niet bekend dat [J.] vanaf 22 april 2005 weer inwonend was en dat de inwonende zoon [A.] op 9 april 2006 21 jaar was geworden. Deze wijzigingen in de omstandigheden van appellant waren van belang voor de bijstandsverlening aan appellant omdat [J.] sinds 1 april 2005 en [A.] sinds 1 januari 2005 niet meer studeerde. Naar het oordeel van de Raad gaat het hierbij om feiten en omstandigheden waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk 08/6561 WWB moest zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, reeds omdat hierover op de maandelijks in te leveren rechtmatigheidsformulieren vragen worden gesteld. Dat appellant, zoals hij stelt, de Nederlandse taal niet goed beheerst maakt dat niet anders, nu hij zich bij het invullen van de formulieren had kunnen laten bijstaan door de DSZW dan wel een familielid of kennis.

4.6. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de gegevens over zijn kinderen tijdig mondeling heeft doorgegeven aan zijn WWB-consulent. Uit de rapportage wijziging van 12 februari 2007 blijkt dat appellant eerst op 24 januari 2007 en dus na de in geding zijnde periode heeft meegedeeld dat hij drie inwonende kinderen heeft van 20, 21 en 23 jaar die niet studeren en niet werken.

4.7. Hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg daarvan aan appellant over de periode van 22 april 2005 tot en met 30 september 2006 tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, was het College bevoegd de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over die periode te herzien door de bijstand met 10% te verlagen. Appellant heeft de wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.8. Gelet op rechtsoverweging 4.7 was het College tevens bevoegd de over genoemde periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in het beleid inzake terugvordering van bijstand van het College om van terugvordering af te zien dan wel bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van dit beleid had moeten afwijken. Het beroep op het IVRK dat appellant ter zitting van de Raad heeft toegespitst op de terugvordering van de bijstand slaagt niet, reeds omdat zich hier niet de situatie voordoet dat niet in de primaire kosten van voeding en kleding van het nog minderjarige inwonende kind van appellant is voorzien. Appellant ontvangt immers een bijstandsuitkering van 90% van de norm voor gehuwden. De invordering van het besluit tot terugvordering geschiedt voorts zodanig dat hij blijft beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

4.9. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) E. Heemsbergen.

IJ