Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09/4688 WWB + 09/4963 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellanten hebben niet duurzaam gescheiden geleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4688 WWB

09/4963 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] en [Appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 juli 2009, 08/1159 en 08/1147, (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Engelen en mr. Verkoeijen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten waren [in] 1970 gehuwd. Per 1 april 2009 is dit huwelijk door echtscheiding ontbonden. Appellante woont sedert 1 juni 1996 in een woonwagen op het adres [adres 1] te [naam gemeente].

1.2. Appellanten ontvingen tot 22 april 1991 bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Aansluitend ontving appellante een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande (ouder), laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij is ervan uitgegaan dat appellanten gescheiden van elkaar leefden. Over de periode van

5 februari 2007 tot 19 maart 2007 heeft appellante geen bijstand ontvangen.

1.3. Naar aanleiding van een bij de gemeente Venlo gerezen vermoeden dat appellanten zouden samenwonen, heeft de sociale recherche Regio Limburg Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties (waaronder de leverancier van gas, water en elektra) om inlichtingen verzocht, is een huiszoeking verricht in de woonwagen van appellante en de caravan van appellant, hebben appellanten verklaringen afgelegd en zijn diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 oktober 2007.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 12 november 2007 de bijstand van appellante met ingang van 12 december 1996 in te trekken en de over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 4 februari 2007 en 19 maart 2007 tot en met 31 juli 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal

€ 126.284,02 van appellante terug te vorderen. Bij datzelfde besluit is dit bedrag mede van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust onder meer op de overweging dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt, niet duurzaam gescheiden leefde van appellant.

1.5. Bij twee afzonderlijke besluiten van 3 juni 2008 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 12 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep (lees: de beroepen) tegen de besluiten van 3 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de vaststelling dat er in de (gehele) in geding zijnde periode geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat het College op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB niet bevoegd was de kosten van de aan appellante verleende bijstand over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 4 februari 2007 en 19 maart 2007 tot en met 31 juli 2007 mede van hem terug te vorderen. Voorts hebben appellanten verzocht het College te veroordelen in de door hen geleden schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de beoordeling door de bestuursrechter in het onderhavige geval de periode van 12 december 1996 (intrekkingsdatum) tot en met 12 november 2007 (de datum van het primaire intrekkingsbesluit) bestrijkt.

4.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, en het voordien geldende artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw), wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende basis bieden voor de conclusie dat appellanten in de gehele hier in geding zijnde periode niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. De Raad verwijst daarbij allereerst naar de bevindingen uit de observaties die met behulp van een camera in de periode van 14 februari 2007 tot en met 19 maart 2007 zijn gemaakt. Daaruit kan worden opgemaakt dat appellant in die periode dagelijks van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de woonwagen van appellante verbleef en van daaruit zijn activiteiten verrichtte. Hij verbleef daar ook op momenten dat appellante niet aanwezig was. Op grond van de verklaringen van appellanten kan voorts worden vastgesteld dat appellant in ieder geval sedert zijn ongeval in juni 2004 gemiddeld vijf dagen per week op de Alberickstraat verbleef, waarbij door appellante is opgemerkt dat appellant dagelijks haar woonwagen in en uit kwam lopen. De tourcaravan van appellant die zich schuin tegenover de woonwagen van appellante bevond, werd blijkens de bevindingen van de huiszoeking door appellant gebruikt als slaapplaats. Deze caravan was ten tijde van het onderzoek voorzien van elektriciteit afkomstig uit de berging van de woonwagen van appellante. Deze berging gebruikte appellant ook voor zijn was. Dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven blijkt ook uit de verklaring van appellante dat zij appellant na zijn ongeluk op weg heeft geholpen, veel met hem praat, af en toe met hem eet en één keer in de twee weken met hem naar rommelmarkten gaat. Appellant heeft voorts verklaard dat hij in de woonwagen van appellante veel aanwezig is, daar koffie zet en televisie kijkt. Appellant was tevens in het bezit van de giropas van appellante.

4.4. De onderzoeksbevindingen bieden voorts voldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat appellanten ook voor juni 2004 niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Daarbij verwijst de Raad naar de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die appellanten respectievelijk 10 en 25 jaar kennen. [getuige 1] heeft blijkens haar verklaring vlakbij de woonwagen van appellante gewoond. [getuige 2] is een goede vriend van appellant. Beiden hebben verklaard dat appellanten ([voornamen]) in de woonwagen naast die van hun zoon wonen. Dit is de woonwagen aan de [adres 1]. [getuige 2] heeft voorts nog verklaard dat hij weet dat appellanten bij elkaar horen. Noch [getuige 1], noch [getuige 2] heeft kenbaar gemaakt dat de woon- en leefsituatie van appellanten in de periode vanaf juni 2004 verschilde van die in de periode daarvoor, in die zin dat appellanten vóór juni 2004 gescheiden hebben geleefd en daarna niet meer. De Raad acht ook nog van belang te vermelden dat appellant op respectievelijk 27 januari 2001 en 11 maart 2004 een zonnehemel en een waterbed heeft gekocht voor de prijzen van respectievelijk ƒ 1.598,-- en € 1.800,--, welke goederen zijn aangetroffen in de woonwagen van appellante. Dat het College voor de intrekkingsdatum van het recht op bijstand van appellante aansluiting heeft gezocht bij de ingangsdatum van de door appellant mede op naam van appellante afgesloten SNS ongevallen overlijdensverzekering van 12 december 1996, acht de Raad niet onjuist. Daarover merkt de Raad allereerst op dat uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt dat appellant reeds in 1996 kon beschikken over een caravan op het woonwagenterrein aan de Alberickstraat. Met betrekking tot de verzekeringspolis merkt de Raad op dat deze is afgesloten na de datum waarop appellanten stelden uit elkaar te zijn gegaan. Op deze polis was appellante in de hoedanigheid van partner mede verzekerd en hebben appellanten elkaar in geval van overlijden na een ongeval als begunstigden aangewezen. Tevens acht de Raad van belang dat het verzekerd bedrag van deze polis op 12 maart 1998 nog is verhoogd. Dit alles duidt naar het oordeel van de Raad niet op een situatie van duurzaam gescheiden leven.

4.5. Het vorenstaande betekent dat appellanten gedurende de gehele in geding zijnde periode als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c ten tweede, van de WWB, en het voordien geldende artikel 4, aanhef en onder c ten tweede, van de Abw, moesten worden beschouwd en dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande (ouder).

4.6. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante met ingang van 12 december 1996 in te trekken. Nu de uitoefening van die bevoegdheid niet is bestreden, is daarmee tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de voor appellante over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 4 februari 2007 en 19 maart 2007 tot en met 31 juli 2007 gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. De wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt, is niet bestreden.

4.7. Nu de verlening van gezinsbijstand achterwege is gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB, niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de aan appellante verleende bijstand over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 4 februari 2007 en 19 maart 2007 tot en met 31 juli 2007 mede van appellant terug te vorderen. De beroepsgrond van appellant dat hij niet op de hoogte was van de verplichtingen waaraan appellante zich uit hoofde van haar bijstandsuitkering diende te houden, wat daarvan zij, faalt reeds omdat dit geen voorwaarde vormt voor terugvordering ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB. De Raad ziet in deze omstandigheid voorts geen aanleiding voor de conclusie dat het College geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot medeterugvordering.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

IJ