Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
11-332 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Ontslag. Plichtsverzuim. Het is niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/332 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 december 2010, 10/2879 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten (hierna: college)

Datum uitspraak: 21 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten, advocaat te Zwolle, en [d. G.], werkzaam bij de gemeente Bunschoten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Verzoeker, die van februari 2008 af op basis van detachering bij de gemeente Bunschoten (hierna: gemeente) werkzaam was, trad met ingang van 5 februari 2009 bij de gemeente in dienst in de functie van [functie].

1.2. In november 2008 is verzoeker door een leidinggevende aangesproken op zijn gedrag tegen vrouwelijke collega’s. Hij werd gemaand meer afstand tot hen in acht te nemen. Hij heeft dat toegezegd.

1.3. Op 10 september 2009 hebben een dertigtal medewerkers van de gemeente, onder wie verzoeker, in het kader van een personeelsuitstapje deelgenomen aan een zeiltocht. Enige dagen later hebben twee medewerksters, (S en T) die ook aan het uitstapje hadden meegedaan, ieder bij het college een klacht ingediend over lichamelijke aanrakingen van verzoeker tijdens het uitstapje. Uiteindelijk heeft het college besloten een onderzoek naar de gedragingen van verzoeker te laten instellen. Dit onderzoek (hierna: onderzoek) is uitgevoerd door een advocaat van Capra, die verzoeker en een twintigtal andere deelnemers aan het uitstapje heeft ondervraagd.

1.4. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 24 december 2009 waarbij de verkregen schriftelijke verklaringen van de gehoorde medewerkers waren gevoegd, heeft het college aan verzoeker het voornemen bekend gemaakt hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, op welk voornemen verzoeker heeft gereageerd. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college met toepassing van de artikelen 16:1:1, eerste lid, en 8:13 van het CAR/UWO het voornemen ten uitvoer gelegd. Dit besluit is na bezwaar van verzoeker bij het bestreden besluit van 22 juli 2010 gehandhaafd.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover zij aan de orde is - het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank, die ter zitting van 8 oktober 2010 S als door haar opgeroepen getuige had gehoord, heeft blijkens de aangevallen uitspraak met name op grond van de verklaringen van die getuige ter zitting de overtuiging verkregen, dat verzoeker zich op 10 september 2009 aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt door zich op ongepaste wijze tegenover S te hebben gedragen en jegens haar grensoverschrijdend handtastelijk te zijn geweest. Volgens de rechtbank heeft verzoeker zich met die gedragingen schuldig gemaakt aan plichtsverzuim dat hem kan worden toegerekend. De rechtbank is voorts niet kunnen blijken dat de opgelegde disciplinaire straf van ontslag onevenredig is aan het vastgestelde plichtsverzuim.

3. Verzoeker heeft, naast zijn stelling dat de aangevallen uitspraak op formele gronden geen stand zal kunnen houden, betoogd dat hij het hem verweten plichtsverzuim niet heeft begaan. Hij heeft niet ontkend dat hij op 10 september 2009 af en toe in het voorbijgaan S heeft aangeraakt, maar dat bepaald zonder de bedoeling haar in haar lichamelijke integriteit aan te tasten.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepwet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek op voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met verzoeker niet is hersteld en verzoeker ter zitting voldoende heeft aangetoond dat hij in een financiële noodsituatie is geraakt, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter zal dus antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle zullen kunnen plaatsvinden. In het kader van het nu gedane verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slagen de tegen de aangevallen uitspraak ingebrachte formele grieven niet. Zo acht hij van strijd met artikel 8:86 van de Awb geen sprake en voorts valt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 8 oktober 2010 niet op te maken dat de getuige op een wijze is verhoord die klaarblijkelijk inbreuk maakt op de eis van rechterlijke objectiviteit.

4.5. De voorzieningenrechter is eerst van oordeel dat het college, gegeven de klachten van S en T, gerechtigd was naar de gedragingen van appellant op 10 september 2009 een onderzoek te laten instellen en daarbij, gelet op de in overweging 1.2 genoemde gebeurtenis, ook te laten nagaan of verzoeker in de periode van november 2008 tot september 2009 tegenover vrouwen laakbare gedragingen aan de dag heeft gelegd. Voorts is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het onderzoek tegenover verzoeker onzorgvuldig is geweest. Bij dat onderzoek zijn, onder andere, ook medewerkers van de gemeente Bunschoten gehoord die verzoeker had aangedragen. De voorzieningenrechter is dan ook niet van oordeel dat het college voor zijn besluitvorming niet van de resultaten van het onderzoek mocht uitgaan.

4.6. Op basis van het onderzoek heeft het college aangenomen dat verzoeker zich op 10 september 2009 tegenover S uiterst laakbaar heeft gedragen. Uit de verklaringen in het onderzoek van S van 29 september 2009 en van R.H. op 8 oktober 2009 heeft het college, samengevat, afgeleid dat verzoeker de hele dag door (en niet zoals verzoeker meent de hele dag) als hij benedendeks was, S heeft opgezocht en heeft aangeraakt, waarbij hij haar eenmaal in de borsten heeft gepakt.

4.7. Evenals de rechtbank stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker zich - in elk geval - aan de hem door het college verweten gedragingen op 10 september 2009 heeft schuldig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft dit afgeleid uit de verklaringen die S op 14 september 2009 en op 29 september 2009 heeft afgelegd, welke verklaringen voldoende consistent zijn en bovendien door haar als getuige ter zitting van de rechtbank zijn bevestigd. De ontkenningen van verzoeker stuiten niet alleen op die verklaringen af, maar ook op de verklaring van H, dat zij heeft gezien dat verzoeker S in de borsten greep. Verder acht de voorzieningenrechter niet zonder betekenis dat verscheidene medewerkers tijdens het onderzoek hebben verklaard te hebben waargenomen dat S aan einde van het uitstapje overstuur was en huilde, waarbij zij steeds de naam van verzoeker noemde als oorzaak ervan. De voorzieningenrechter heeft geen verklaringen ontdekt die, zoals verzoeker stelt, hem vrijpleiten. Het gaat hierbij om verklaringen, dat verzoeker hoofdzakelijk bovendeks is geweest en slechts af en toe naar beneden is gegaan waar S verbleef, al verschillen de betreffende verklaringen in de vermelding van de duur van het verblijf van verzoeker benedendeks. Dit is niet voldoende. Bij dit al tekent de voorzieningenrechter nog aan dat het bij een integriteitschending als hier aan de orde niet zo zeer gaat om de perceptie ervan bij de pleger maar veeleer van die van het slachtoffer.

4.8. Nu niet betwist wordt dat verzoeker het plichtsverzuim niet kan worden toegerekend, volstaat de voorzieningenrechter ermee te oordelen de disciplinaire straf van ontslag niet geacht kan worden onevenredig te zijn aan het aangenomen, zeer ernstig te achten, plichtsverzuim dat verzoeker heeft begaan. Hierbij laat de voorzieningenrechter nog wegen dat verzoeker sinds november 2008 een gewaarschuwd man was wat zijn contacten met vrouwelijke collega’s betreft.

4.9. Hiermee is het niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak wijst de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening dan ook af.

5. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

RB