Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
10-4450 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om de toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift. Door een aanvang te maken met zijn opleiding aan de NLS op een zodanig tijdstip dat het behalen van het afsluitend examen van deze opleiding vóór 1 januari 2008 niet meer mogelijk was, heeft appellant het risico aanvaard dat de aan hem toegekende prestatiebeurs niet (meer) met toepassing van artikel 5.7 van de Wsf 2000 zal kunnen worden omgezet in een gift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4450 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 juni 2010, 09/825 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft mr. S.M.I. van Loon, advocaat te Veghel, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft de Minister verzocht de aan hem tot en met 31 december 2007 toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift. Hij heeft daartoe een diploma overgelegd dat hij op 23 september 2008 aan de Nationale Luchtvaartschool (NLS) heeft behaald voor zijn opleiding tot verkeersvlieger.

1.2. Bij besluiten van 3 maart 2009 en 10 maart 2009 heeft de Minister dit verzoek afgewezen, omdat de door appellant gevolgde opleiding sinds 1 januari 2008 niet meer is geaccrediteerd.

2. De Minister heeft het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar bij besluit van 23 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 23 april 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat omzetting niet mogelijk is. De door appellant gevolgde opleiding is sinds 1 januari 2008 niet meer een opleiding die recht geeft op een diploma. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het primair tot de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling moet worden gerekend om de instromende studenten naar behoren te informeren over een aanstaande wijziging in de status van een aan die instelling te volgen opleiding en de daaruit voor de rechtspositie van de student voortvloeiende consequenties met betrekking tot het recht op studiefinanciering. De NLS had met de betekenis en de gevolgen van het Koninklijk Besluit van 4 april 2003, waarmee – kort gezegd – werd bepaald tot welk tijdstip een onderwijsinstelling opleidingen kort-hbo kon verzorgen, redelijkerwijs bekend moeten zijn. De Minister is bij de toekenning van de studiefinanciering volgens de rechtbank niet tekortgeschoten in zijn informatieplicht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, nu eerdere omzettingen bij anderen ongedaan zijn gemaakt en gemaakte fouten bovendien niet hoeven te worden herhaald. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de Minister voor toepassing van de hardheidsclausule geen aanleiding behoefde te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 5.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidde ten tijde hier van belang als volgt:

‘Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een hbo bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.’

4.2. Het in september 2008 door appellant met goed gevolg afgesloten examen is, gelet op artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 en artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), niet een afsluitend examen als bedoeld in artikel 5.7 van de Wsf 2000. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in september 2008 dan ook niet (meer) onder het toepassingsbereik van laatstgenoemd artikel viel.

Dat appellant tot en met 31 december 2007 voor een op dat moment nog geaccrediteerde opleiding studiefinanciering heeft genoten, brengt daarin geen verandering. De Raad wijst erop dat voor omzetting van een prestatiebeurs in een gift niet van belang is voor welke opleiding studiefinanciering is verstrekt, maar welk diploma ten grondslag wordt gelegd aan het verzoek tot omzetting.

4.3. Door een aanvang te maken met zijn opleiding aan de NLS op een zodanig tijdstip dat het behalen van het afsluitend examen van deze opleiding vóór 1 januari 2008 niet meer mogelijk was, heeft appellant het risico aanvaard dat de aan hem toegekende prestatiebeurs niet (meer) met toepassing van artikel 5.7 van de Wsf 2000 zal kunnen worden omgezet in een gift. Onbekendheid met de wijziging van de regelgeving disculpeert niet. Dat de Minister over (de gevolgen van) het vervallen van de accreditatie geen (gerichte) informatie heeft verschaft aan (aankomende) studerenden aan de NLS, maakt dat niet anders. Daar komt bij dat de Minister niet kan treden in de afwegingen die studerenden maken bij het nemen van de beslissing om studiefinanciering voor een bepaalde opleiding aan te vragen.

4.4. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

4.5. De Raad deelt tot slot ook het oordeel van de rechtbank dat de Minister geen aanleiding behoefde te zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule en maakt dat oordeel en de overwegingen die de rechtbank daartoe hebben geleid tot de zijne.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Rijnen.

JL