Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
10-1976 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA. Zorgvuldige rapportages van de verzekeringsartsen. Uit alle medische informatie, inclusief de in beroep overgelegde informatie van psychologen Polat en Prudon, zijn geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding dienen te geven tot de conclusie dat voor appellant op 4 november 2008 zijn beperkingen zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1976 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 maart 2010, 09/2530 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Bonsen-Lemmers, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend onder bijvoeging van een rapport van bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan van 17 juni 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluis.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam als kwekerijmedewerker, heeft zich op 25 september 2006 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met hartklachten, hypertensie, diabetes en stress. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Verzekeringsarts R.T. Lansbergen heeft op 30 juni 2008 rapport uitgebracht, waarin beperkingen zijn vastgesteld in verband met een onderbeen fractuur aan de linkerzijde, een slaapapnoe syndroom, lues latens en spanningsklachten; die beperkingen van appellant zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 30 juni 2008, welke lijst beperkingen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren bevat en tevens beperkingen ten aanzien van dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens blijkens een rapport van 28 juli 2008 een aantal voor appellant geschikt te achten functies geduid waarmee geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft het Uwv appellant medegedeeld, dat per 22 september 2008, in aansluiting op het einde van de wettelijke wachttijd, geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is te stellen op minder dan 35%. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

2.1. Op 7 november 2008 heeft appellant zich met ingang van 4 november 2008 (toegenomen) arbeidsongeschikt gemeld. In verband met deze melding is door verzekeringsarts Lansbergen, voornoemd, op 4 december 2008 rapport uitgebracht. Daarin wordt melding gemaakt van het feit dat naast de eerder gemelde aandoeningen bij appellant sprake is van bijkomende klachten van de rug en het rechterbeen; deze klachten kwamen voort uit de functiebeperking van het linkerbeen, werden aannemelijk geacht maar ernstige structurele afwijkingen waren, gelet op de bevindingen bij eigen onderzoek en het beleid van de curatieve sector, niet aannemelijk. De bijkomende klachten leverden geen aanleiding op om andere of meer ernstige beperkingen aan te nemen omdat op basis van voorgaand onderzoek alle aspecten waarbij rug of benen worden belast reeds beperkt werden geacht. Geconcludeerd wordt dan ook dat de belastbaarheid conform is aan de belastbaarheid per einde van de wachttijd (22 september 2008). Bij besluit van 17 december 2008 heeft het Uwv aan appellant, onder meer, bericht dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 4 november 2008.

2.2. In het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is onder andere gewezen op de behandeling die appellant ondergaat bij orthopedische chirurg dr. B.G. Schutte en het feit dat deze hem op basis van nieuwe medische gegevens een operatie in het vooruitzicht heeft gesteld. Bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan heeft, oordelend over het bezwaar, op 28 april 2009 rapport uitgebracht. Bij dit oordeel heeft hij betrokken de informatie van orthopedisch chirurg Schutte van 2 april 2009, welke concludeerde dat sprake is van een status na een laterale tibeaplateau fractuur links. Gelet op de afwijkingen achtte Schutte langdurige belasting van de knie, zwaar tillen en veel traplopen niet wenselijk. Omdat in de FML lopen reeds is beperkt tot 30 minuten achtereen en er reeds rekening is gehouden met tilbelasting, traplopen en klimmen is bezwaarverzekeringsarts Tan van oordeel dat er geen reden is voor wijziging van de FML. Voorts meldde bezwaarverzekeringsarts Tan dat op de hoorzitting is gebleken dat appellant onveranderd angstig is voor vele ziekten maar dat er geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen zodat er geen reden was voor wijziging van de al aangenomen forse psychische beperkingen. Bezwaarverzekeringsarts Tan concludeerde dan ook dat er geen reden was om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De nagekomen informatie van huisarts S.P. Post van 23 april 2009 gaven bezwaarverzekeringsarts Tan geen aanleiding van zijn standpunt af te wijken, omdat deze informatie zijns inziens geen nieuwe medische feiten bevat. Bij besluit van 4 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, waarbij onder meer is gewezen op het bepaalde in artikel 55 van de Wet WIA.

3. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij is gesteld dat sprake is geweest van een toename van zijn psychische klachten. Ter onderbouwing van dit standpunt is gewezen op de verklaring van psycholoog R. Polat van 25 augustus 2009 en de verklaring van psycholoog P.C.H. Prudon van 13 januari 2010.

4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat de rapportages van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen, er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van die rapportages en het Uwv met recht heeft aangenomen dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in verband met de ziekte van appellant reeds beperkingen waren vastgesteld en dat uit de informatie van psycholoog Polat valt af te leiden dat de klachten van appellant eerst na de datum in geding (namelijk juli en augustus 2009) meer en anders waren dan tijdens de primaire beoordeling. Omdat de informatie van psycholoog Prudon dateerde van ruim voor de datum in geding kon daaraan volgende de rechtbank door het Uwv evenmin doorslaggevende betekenis worden gehecht.

5. Namens appellant is in hoger beroep herhaald dat zijn psychische en lichamelijke klachten na 22 september 2008 verder zijn toegenomen, waardoor de eerder op 4 november 2008 vastgestelde beperkingen niet meer toereikend zijn. Daarbij is gewezen op de in beroep overgelegde informatie van psychologen Polat en Prudon en de in bezwaar door bezwaarverzekeringsarts Tan verkregen informatie van orthopedisch chirurg Schutte.

6. De Raad is van oordeel, dat in de voorhanden medische gegevens geen, althans ontoereikende basis is te vinden voor de stelling dat er op 4 november 2008 sprake was van een in het kader van de Wet WIA relevante toename van arbeidsongeschiktheid, met name niet op grond van klachten van psychische aard. Appellant is na zijn melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid, onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Deze arts heeft na dat onderzoek en kennisname van appellant zijn klachten geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na kennisname van de informatie van orthopedisch chirurg Schutte en de huisarts van appellant, de mening van de verzekeringsarts bevestigd. In de rapportage van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts komen naar het oordeel van de Raad geen aanwijzingen naar voren voor een verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant. De Raad heeft dan ook geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad heeft in zijn beoordeling betrokken dat het Uwv rekening heeft gehouden met de over appellant bekende informatie uit de behandelend sector. Uit alle medische informatie, inclusief de in beroep overgelegde informatie van psychologen Polat en Prudon, zijn geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding dienen te geven tot de conclusie dat voor appellant op 4 november 2008 zijn beperkingen zijn toegenomen. Daarbij acht de Raad van belang dat psycholoog Prudon verklaart op 4 november 2008 al een jaar geen contact te hebben met appellant, de huisarts van appellant in zijn brief van 23 april 2009 in het geheel niet rept over bestaande psychische problematiek en uit de informatie van psycholoog Polat van 25 augustus 2009 is gebleken dat appellant op de hier in geding zijnde datum, 4 november 2008, niet bij hem onder behandeling was wegens psychische klachten en hij eerst op 28 juli 2009, ruim 8 maanden later, bij hem onder behandeling is gekomen na het recente overlijden van de vader van appellant.

7. Gelet op het onder 6 overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR