Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09/5730 AKW + 09/5760 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW1806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag toe te kennen. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 27 van KB 746, omdat niet is gebleken dat hij over het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag. Appellant was niet verplicht verzekerd krachtens de AOW en de ANW, omdat hij toen niet in Nederland woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5730 AKW en 09/5760 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2009, 08/3709 en 08/3851 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2011. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 1991 enige jaren in Nederland verbleven. Hij heeft toen kennelijk ook enige tijd in loondienst gewerkt hier te lande. In oktober 1997 heeft appellant een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend. Op deze aanvraag is uiteindelijk in juli 1999 definitief afwijzend beslist.

1.2. Appellant is op 11 maart 2000 teruggekeerd naar Marokko, alwaar hij sindsdien woont met zijn gezin. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft in 2007 besloten om met ingang van 6 mei 2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3.1. In mei 2008 heeft appellant aan de Svb verzocht om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan hem toe te kennen voor zijn in Marokko verblijvende kinderen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij een WAO-uitkering ontvangt.

1.3.2. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft de Svb aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van het tweede kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet verzekerd is ingevolge de AKW.

1.3.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de Svb bij besluit van 28 augustus 2008 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb nader toegelicht dat appellant vanaf 1 januari 2000 niet verzekerd is (gebleven) krachtens de AKW op grond van artikel 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746) en vanaf 1 januari 2006 op grond van artikel 7c van de AKW, onder meer omdat appellant over het vierde kwartaal van 1999 geen recht had op kinderbijslag.

1.4.1. Appellant heeft in mei 2008 aan de Svb verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.4.2. Bij beslissing op bezwaar van 9 september 2008 (hierna: besluit 2) heeft de Svb zijn besluit van 23 juni 2008 gehandhaafd, waarbij is medegedeeld dat appellant niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. In besluit 2 is overwogen dat de aanmelding voor de vrijwillige verzekering niet binnen de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn van één jaar na het einde van de verplichte verzekering, zijnde 11 maart 2000, heeft plaatsgevonden.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 27 van KB 746 en 7c van de AKW, omdat hij over het vierde kwartaal van 1999 geen recht had op kinderbijslag.

2.2. Voorts heeft de rechtbank ook het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard, overwegende dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf zijn vertrek uit Nederland in 2000 eerst bezig is geweest met het regelen van zijn WAO-uitkering. Nadat die uitkering was toegekend en ontvangen, heeft appellant de aanvragen om kinderbijslag en toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW ingediend.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.1. Tussen partijen is ten eerste in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen op de grond dat hij niet verzekerd is krachtens de AKW.

4.1.2. De Raad stelt vast dat appellant in ieder geval vanaf zijn vertrek uit Nederland op 11 maart 2000 niet meer verplicht verzekerd is geweest ingevolge de volksverzekeringen, omdat hij toen geen ingezetene van Nederland was en hij geen werkzaamheden in loondienst hier te lande heeft verricht ter zake waarvan hij aan de loonbelasting was onderworpen. Voorts is appellant ook niet op grond van KB 746 verzekerd geweest of gebleven ingevolge de volksverzekeringen. Op grond van artikel 26 van KB 746 waren buiten Nederland wonende personen die bepaalde Nederlandse uitkeringen ontvingen, voor 1 januari 2000 onder bepaalde omstandigheden verplicht verzekerd ingevolge de volksverzekeringen. Dit artikel is echter met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Alleen voor personen die tot aan 1 januari 2000 verzekerd waren op grond van artikel 26 van KB 746 is in artikel 27 van KB 746 een overgangsregeling getroffen inhoudende dat gedurende een bepaalde termijn artikel 26 van KB 746 voor de toepassing van de AKW nog op hen van toepassing blijft, voor zover vóór 1 januari 2000 - en met name in het vierde kwartaal van 1999 - recht bestond op kinderbijslag. Indien appellant vóór

1 januari 2000 verzekerd is geweest op grond van artikel 26 van KB 746, voldoet hij niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 27 van KB 746, omdat niet is gebleken dat hij over het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag. Indien appellant tot 11 maart 2000 op grond van ingezetenschap verzekerd is geweest krachtens de volksverzekeringen is de overgangsregeling in artikel 27 van KB 746 niet op hem van toepassing. De Svb heeft derhalve terecht beslist dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet verzekerd is krachtens de AKW.

4.2.1. Voorts is tussen partijen in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd appellant toe te laten tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW.

4.2.2. Ingevolge de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en 63, 63a en 63b van de ANW is vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de ANW alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge die wetten en voor zover de aanvraag voor toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

4.2.3. Appellant heeft bij aanvraagformulier gedateerd 21 mei 2008 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten, omdat hij toen niet in Nederland woonde. De Raad is derhalve van oordeel dat de Svb terecht heeft besloten dat het verzoek van appellant niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. Evenzeer heeft de Svb terecht overwogen dat geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellant niet tegengeworpen zou mogen worden. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant reeds ten tijde van zijn vertrek uit Nederland in maart 2000 had kunnen weten dat hij in ieder geval vanaf dat moment niet meer verplicht verzekerd was krachtens de volksverzekeringen en dat ook een eventuele toekenning – met terugwerkende kracht – van een WAO-uitkering er niet meer toe kon leiden dat hij weer verplicht verzekerd zou worden. Als appellant zich vrijwillig had willen verzekeren had hij zich binnen één jaar na 11 maart 2000 moeten aanmelden voor de vrijwillige verzekering.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.2.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.A. van Amerongen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

TM