Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09-4522 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van studiefinanciering voor de 4-jarige opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University te Troy, Alabama, Verenigde Staten van Amerika, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), berust op goede gronden. Gezien de toelatingseisen voor de opleiding Sport and Fitness Management in vergelijking tot andere opleidingen aan Troy University, bezien in samenhang met het doel en de inhoud van de opleiding Sport and Fitness Management, is die opleiding niet vergelijkbaar met een Nederlandse hbo-opleiding. Voldoende grondslag voor de afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4522 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2009, 08/1498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 6 augustus 2010 een tussenuitspraak,

LJN BN3787, gedaan (hierna: de tussenuitspraak).

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 7 januari 2011. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. M.H.J. Toxopeus, alsmede zijn moeder [naam moeder]. De Minister was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 20 november 2008 heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag van appellant om toekenning van studiefinanciering voor de 4-jarige opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University te Troy, Alabama, Verenigde Staten van Amerika, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Minister heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic) van 17 november 2008, inhoudende dat, gelet op de toelatingseisen, niet kan worden gegarandeerd dat het eindniveau van de opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University vergelijkbaar is met dat van een Nederlandse bachelorgraad.

1.3. De Raad heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het advies van de Nuffic van 17 november 2008 onvoldoende grondslag vormt voor de afwijzing van de aanvraag van appellant om studiefinanciering voor die opleiding. De Raad heeft de conclusie getrokken dat het besluit van 20 november 2008 mitsdien onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

2.1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de Minister bij schrijven van 1 oktober 2010 een nader advies van de Nuffic overgelegd ter verdere onderbouwing van zijn standpunt dat de aanvraag van appellant om toekenning van studiefinanciering niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

2.2. Appellant houdt staande dat het afwijzende advies van de Nuffic en het daarop gebaseerde standpunt van de Minister onjuist zijn.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Nuffic heeft in het nadere advies aan de Minister geoordeeld dat gezien de toelatingseisen voor de opleiding Sport and Fitness Management in vergelijking tot andere opleidingen aan Troy University, bezien in samenhang met het doel en de inhoud van de opleiding Sport and Fitness Management, die opleiding niet vergelijkbaar is met een Nederlandse hbo-opleiding.

3.2. De Raad is van oordeel dat met het bij schrijven van 1 oktober 2010 overgelegde nadere advies van de Nuffic, bezien in samenhang met het eerdere advies van 17 november 2008, thans een afdoende grondslag aanwezig is voor het oordeel van de Minister dat de opleiding in de Verenigde Staten van Amerika waarvoor appellant studiefinanciering heeft aangevraagd, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat onduidelijk is waarop de Nuffic haar conclusies baseert noch het standpunt dat de advisering door de Nuffic met onvoldoende bewijzen is onderbouwd.

3.3. In hetgeen appellant verder heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de Minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen.

3.4. Nu eerst met het in hoger beroep als bijlage bij het schrijven van 1 oktober 2010 overgelegde nadere advies van de Nuffic een voldoende grondslag aanwezig is voor de afwijzing door de Minister van de aanvraag van appellant om toekenning van studiefinanciering, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak alsmede het besluit van 20 november 2008 te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

4. Tot slot acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Minister te veroordelen in de proceskosten van appellant, bestaande uit kosten voor verleende rechtshulp tot een bedrag van € 483,- in beroep en van € 1.127,- in hoger beroep. Aangezien (alleen) in hoger beroep een bewijs is overgelegd van een krachtens de Wet op de rechtsbijstand verleende toevoeging, dient het laatstvermelde bedrag te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 november 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.610,-, waarvan € 1.127,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Minister aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

JL