Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
11-164 ZW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek om voorlopige voorziening i.v.m. overschrijding termijn griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/164 ZW-VV

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in geding tussen:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft als gemachtigde van verzoekster bij beroepschrift van 3 december 2010 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 oktober 2010, 10/6265 en 10/6059.

Bij brief van 9 januari 2011 is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.

Bij schrijven van 17 januari 2011, verzonden op 18 januari 2011, is de gemachtigde van verzoekster erop gewezen dat ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 111,00 is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan.

Bij aangetekende brief van 1 februari 2011 is de gemachtigde van verzoekster nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening diende te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas diende te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.

Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM