Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
10-4980 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Beleidsregel terug- en invordering. Ieder die een schuld open heeft staan bij het Uwv wordt geacht deze schuld af te lossen. Enkel in het geval een schuldvordering oninbaar is gebleken, kan de schuldvordering worden afgeboekt. Dit is echter geen recht waarop men als “schuldenaar” aanspraak kan maken, maar een bevoegdheid die aan het Uwv toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4980 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, nevenzittingsplaats Breda, van 23 juli 2010, 10/1528 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A.E.T.M. van de Camp, advocaat te Zaltbommel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. van der Meijden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier thans met het volgende.

1.2. Bij besluit van 13 april 1999 heeft het Uwv over de periode 19 augustus 1986 tot 1 januari 1997 een bedrag van fl. 206.999,50 (€ 93.929,10) aan onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant teruggevorderd. De terugvordering is gebaseerd op schending van de inlichtingenplicht. Bezwaar, beroep en hoger beroep hebben uiteindelijk niet tot een voor appellant gunstiger resultaat geleid.

1.3. In juli 2006 heeft appellant een klein bedrag aan het Uwv betaald, zodat er nu nog een vordering van € 91.017,70 resteert.

2.1. Appellant heeft het Uwv op 25 november 2007 om kwijtschelding van dit restant bedrag verzocht. Hij heeft daarbij aangevoerd de laatste vijf jaar geen betalingen meer verricht te hebben en niet over enig inkomen of vermogen te beschikken.

2.2. Bij besluit van 1 april 2009 heeft het Uwv dit verzoek om kwijtschelding afgewezen, omdat de helft van de vordering niet is voldaan.

2.3. Bij bestreden besluit van 6 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.4. De rechtbank heeft de vraag, of het Uwv in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken het verzoek van appellant tot kwijtstelling van zijn schuld af te wijzen, bevestigend beantwoord. Ingevolge de in het kader van de toepassing van artikel 57 van de WAO door de rechtsvoorganger van het Uwv vastgestelde Beleidsregel terug- en invordering van 31 maart 1999 (Stcrt. 1999,75), zoals nadien gewijzigd kan het Uwv onder bepaalde omstandigheden afzien van verdere terugvordering. Met het Uwv was de rechtbank echter van oordeel dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden hiervoor, zoals opgenomen in de Beleidsregel. De stelling van appellant dat in verband met de in 1.3 vermelde betaling ter aflossing van de vordering toepassing van de Beleidsregel leidt tot verboden willekeur in die zin dat hij niet voor kwijtschelding in aanmerking komt, werd niet gevolgd door de rechtbank. Van willekeur was volgens de rechtbank geen sprake. Ieder die een schuld open heeft staan bij het Uwv wordt geacht deze schuld af te lossen. Enkel in het geval een schuldvordering oninbaar is gebleken, kan de schuldvordering worden afgeboekt. Dit is echter geen recht waarop men als “schuldenaar” aanspraak kan maken, maar een bevoegdheid die aan het Uwv toekomt.

3. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft daarbij in essentie zijn beroepsgronden herhaald.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hier nog aan toe dat uit de stukken naar voren komt dat appellant weinig inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie. Daartoe is ter zitting van de Raad door het Uwv gemeld dat hij inmiddels beslag heeft laten leggen op meerdere besloten vennootschappen die op het woonadres van appellant gevestigd zijn.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet.

4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ