Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
10-2751 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat sprake is van een uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA. De bewijslast rust in beginsel op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere uitval. Het is in dit geval dan ook aan appellant om gegevens aan te dragen die buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Appellant is hierin niet geslaagd. Niet gebleken van medische feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval af te wijken van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2751 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 april 2010, 09/743 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

De (voormalig) werkgeefster van appel[naam B.V.]] heeft desgevraagd aangegeven als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De (voormalig) werkgeefster heeft gebruik gemaakt van de haar daartoe geboden gelegenheid om een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

Desgevraagd heeft appellant medegedeeld geen toestemming te verlenen om zijn medische gegevens aan zijn (voormalig) werkgeefster ter kennisname te brengen.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2011. Namens appellant is verschenen mr. Hilkens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. Namens de (voormalig) werkgeefster is niemand verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 20 juli 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant, die werkzaam was als schoonmaker bij [naam B.V.] (hierna: de (voormalig) werkgeefster), per 23 oktober 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Beslissend op het bezwaar van de (voormalig) werkgeefster van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2007 dat bezwaar gegrond verklaard en appellant per 23 oktober 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

1.2. Bij uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 november 2008, 08/478, is het beroep van appellant tegen het besluit van 20 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank daar beslist over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake van een zowel medische als arbeidskundige ontoereikende grondslag van het besluit van 20 december 2007.

1.3. Ter uitvoering van voornoemde uitspraak heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 25 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van de (voormalig) werkgeefster wederom gegrond verklaard en appellant per 23 oktober 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 100% is gesteld. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant per 23 oktober 2006 ziek is geworden als gevolg van dezelfde oorzaak als de ziekteoorzaak die op 28 januari 2004 bestond. Voorts was er volgens het Uwv een meer dan geringe kans op herstel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Hij stelt zich op het standpunt dat de psychische klachten waarmee hij zich op 23 oktober 2006 heeft ziek gemeld niet dezelfde waren als de klachten waarmee hij in 2004 is uitgevallen. Hij wijst daarbij op het schrijven van psychiater H.J.E. van de Mortel van 23 april 2007. Voorts heeft appellant gesteld dat er geen sprake is van een zorgvuldig onderzoek omdat de bezwaarverzekeringsarts in dienst is van het Uwv, zodat geen sprake is van een oordeel van een onafhankelijke medicus. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de beoordeling van de medische feiten een (medisch) deskundige had moeten inschakelen.

4.1. De Raad heeft zich allereerst beraden over het procesbelang van appellant. In het licht van hetgeen appellant heeft aangevoerd en mede gelet op het verhandelde ter zitting is de Raad van oordeel dat moet worden aangenomen dat hij, gelet op mogelijke financiële consequenties in de arbeidsrechtelijke sfeer, een rechtens relevant belang heeft bij de onderhavige procedure.

4.2. Appellant, die op 28 januari 2004 is uitgevallen wegens rugklachten en psychische klachten, is na afloop van de wettelijke wachttijd ongeschikt bevonden voor het volledig verrichten van het eigen werk als schoonmaker, in verband met een restrictie voor ’s-nachts werken, maar geschikt bevonden voor hem door de (voormalig) werkgeefster aangeboden werkzaamheden als schoonmaker, waarbij de werkzaamheden in dagdienst konden worden uitgevoerd. Aan de werknemer is met ingang van 25 januari 2006 geen WIA-uitkering toegekend omdat van loonverlies geen sprake was. Appellant heeft zich op 23 oktober 2006 opnieuw ziek gemeld bij zijn (voormalig) werkgeefster met toegenomen klachten van zijn gezondheid.

4.3. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit geoordeeld dat appellant voor toekenning van een WIA-uitkering per 23 oktober 2006 in aanmerking komt omdat sprake is van een uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake is. Volgens de Raad rust de bewijslast in beginsel op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere uitval. Het is in dit geval dan ook aan appellant om gegevens aan te dragen die buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is.

4.4. Naar het oordeel van de Raad voldoet appellant niet aan die bewijslast. De enkele - niet onderbouwde - stelling dat in 2006 sprake was van stemmingsklachten wegens een toename van stressoren, gelegen in een moeizame zwangerschap van zijn partner en langdurig slepende spanningen op het werk, maar dat deze stressoren gezien moeten worden als een nieuw feit welke weliswaar hebben geleid tot het fors toenemen van oude klachten maar niet kunnen worden aangemerkt als zijn oorzaak vindende in dezelfde ziekteoorzaak, is daarvoor niet voldoende.

4.5. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 16 maart 2009 op basis van overtuigende argumenten aannemelijk gemaakt dat de arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 oktober 2006 voortkwam uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die op 28 januari 2004 was ingetreden. Uitgaande van de gegevens van de curatieve sector heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat appellant bekend is met een psychiatrische voorgeschiedenis en hij in december 1993 wegens persoonlijkheidsproblematiek werd opgenomen. Voorts stelt hij vast dat appellant op

28 januari 2004 vanwege psychische klachten arbeidsongeschikt is geworden bij zijn werkgever en werd behandeld wegens een posttraumatische stresstoornis bij een (high level) borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarna heeft appellant zich op 23 oktober 2006 opnieuw arbeidsongeschikt gemeld bij zijn (voormalig) werkgeefster en heeft de bedrijfsarts hem op grond van psychische klachten - in reactie op ziekte van zijn pasgeboren dochter - arbeidsongeschikt beschouwd. Vervolgens heeft de verzekeringsarts in het kader van een deskundigenoordeel op 30 mei 2007 geconcludeerd dat bij appellant sprake is van verhoogde kwetsbaarheid van de persoonlijkheid, dat hij blijft hangen in een disfunctioneel stramien en dat hij in presentatie gedestabiliseerd is. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat deze gegevens goed aansluiten op de verklaring van psychiater Van de Mortel van 23 april 2007 waarin wordt gesteld dat sprake is van stemmingsklachten in reactie op fors toegenomen stressfactoren als gevolg van een moeizame zwangerschap van zijn partner, een ernstige aangeboren afwijking bij hun dochter alsmede langdurig slepende spanningen op het werk. Op basis van deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellant per 23 oktober 2006 opnieuw arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van chronisch recidiverende psychiatrische problematiek die met name zijn oorzaak vindt in de persoonlijkheidsstoornis van appellant, waardoor hij de mogelijkheden (coping) niet heeft om op adequate wijze te reageren op externe prikkels en spanningen. Dat in het verleden een andere externe prikkel de aanleiding is geweest voor het ontstaan van een vergelijkbare klinische ziektetoestand, in dit geval een psychische decompensatie, doet zijns inziens niet af aan het feit dat de feitelijke oorzaak van zijn arbeidsongeschiktheid op 23 oktober 2006 dezelfde is geweest.

4.6. De Raad is niet gebleken van medische feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval af te wijken van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Anders dan appellant acht de Raad het daarbij niet relevant dat de bezwaarverzekeringsarts niet een onafhankelijke deskundige is, daar het wettelijk systeem van arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zulks niet voorschrijft en het bovendien bij uitstek tot de expertise van de (bezwaar)verzekeringsarts hoort om de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid te duiden op basis van geobjectiveerd vastgestelde beperkingen. Om die reden ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige zoals door appellant verzocht.

5. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) M. Mostert.

JL