Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09-5947 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. Appellant is er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat hij ten tijde in geding op de aan de orde gestelde aspecten meer was beperkt dan in de aangescherpte FML is vastgelegd. De aan de schatting ten grondslag gelegen functies gaan medisch gezien de grenzen van de aangescherpte FML niet te buiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5947 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 september 2009, 09/1038 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door De Hoop. Voor het Uwv is verschenen A. Ooms.

Ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op appellants standpunt dat, aangezien bij verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling op 12 juli 2010 ernstiger gehoorbeperkingen zijn aangenomen zonder dat de klachten zijn toegenomen, de vervolgens aangescherpte FML reeds ten tijde thans in geding (14 oktober 2008) van toepassing was. Het Uwv heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door bij brief van 22 oktober 2010 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 21 oktober 2010 in te brengen.

Ook appellant heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door bij brief van 9 december 2010 nader stukken (een brief van Auwerda van 13 oktober 2010 en verder stukken van algemene aard met betrekking tot de ziekte van Lyme) in te brengen ten betoge dat zijn gehoorbeperking ernstig is onderschat en dat zijn klachten ten tijde in geding mede zijn toe te schrijven aan een voordien opgelopen borrelia-besmetting.

Daarop heeft het Uwv bij brief van 30 december 2010 gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van gelijke datum.

Desgevraagd hebben beide partijen verklaard geen behoefte te hebben aan een vervolgzitting. Daarna heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was als zelfstandig ondernemer gedurende 60 uren per week werkzaam toen hij op 1 september 2000 met psychische klachten deels en op 1 januari 2002 met psychische en fysieke klachten volledig uitviel voor zijn werk.

Per 31 augustus 2001 is hem naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% een WAZ-uitkering toegekend; per 29 januari 2002 is die mate verhoogd naar 80% of meer, welke mate onveranderd is gehandhaafd tot 14 oktober 2008.

2. Bij besluit van 13 augustus 2008 is na verzekeringsgenees- en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 oktober 2008 verlaagd naar 45-55%. Appellants bezwaar tegen dat besluit is bij besluit van 21 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Hangende appellants beroep tegen laatstvermeld besluit is bij besluit op bezwaar van 20 juli 2009 (op arbeidskundige gronden) per 14 oktober 2009 (lees: 2008) de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 55-65%.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 21 januari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen over proceskosten alsook griffierecht gegeven, en vervolgens appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 20 juli 2009 ongegrond verklaard. Wat die ongegrond verklaring betreft heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

4.2. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld en door de bezwaarverzekeringsarts op 9 januari 2009 in een FML zijn vastgelegd. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt dat appellants klachten - ook die met betrekking tot zijn analytisch vermogen - voldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Appellant heeft in beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij meer beperkingen heeft. Uit de door appellant overgelegde informatie van klinisch fysicus / audioloog Van Beurden van 26 maart 2009 en internist / haematoloog Auwerda van 22 juli 2009 blijkt wel met name de oorzaak van appellants klachten, maar niet dat hij meer beperkt is. De belasting in de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies gaat appellants in de FLM vastgelegde belastbaarheid niet te boven, terwijl de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 16 juli 2009 alle signaleringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) afdoende heeft toegelicht. Grieven van arbeidskundige aard zijn door appellant niet aangevoerd.

5. In hoger beroep voorzover bij de aangevallen uitspraak zijn beroep ongegrond is verklaard, heeft appellant aangevoerd dat hij medisch zozeer meer is beperkt dan het Uwv heeft vastgesteld en ook de rechtbank heeft aangenomen dat hij niet in staat is om duurzaam arbeid te verrichten en bijgevolg de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant diverse medische gegevens overgelegd, waaronder een brief van klinisch psycholoog Van der Velden - Zegers van 4 juli 2002, een brief van neuroloog Brekelmans van 9 juli 2002, een brief van KNO-arts Godthelp van 5 september 2002, een rapport van neuropsychologisch onderzoek op 29/30 september 2008 door GZ-psycholoog Beyens, een brief van GZ-psycholoog Van Pelt van 18 februari 2009, een brief van Auwerda van 16 december 2009, een brief van Pro Health van 8 juni 2010, een journaal van huisarts Terwindt van 23 januari 2010 en een rapport van zijn medisch adviseur RHEON-verzekeringsarts Offermans van 5 augustus 2010.

De bezwaarverzekeringsarts heeft deze gegevens besproken in haar rapporten van 24 augustus 2010 en 4 oktober 2010 met als conclusie dat daarin geen aanleiding bestaat tot wijziging van het eerder ingenomen standpunt.

6.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is louter van medische aard en houdt in essentie een herhaling in van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank alsook de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben gebracht en ziet in de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische gegevens geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel en evenmin aanleiding tot inschakeling van een onafhankelijke medische deskundige. Daarbij tekent de Raad nog het volgende aan.

6.3. Niet uit het oog mag worden verloren dat de datum in geding 14 oktober 2008 is. Indien nadien (de) klachten in ernst en/of omvang zijn toegenomen, dan kan die ontwikkeling niet in de beoordeling per 14 oktober 2008 worden betrokken en ligt het op de weg van appellant om daarvan melding te maken bij het Uwv.

6.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 9 januari 2009 de FML mede op basis van de door hem naar aanleiding van het verhandelde ter hoorzitting op 27 oktober 2008 bij appellants huisarts (brief van 6 november 2008) en de appellant behandelende GZ-psycholoog Van Pelt (brief van 6 januari 2009) opgevraagde gegevens aangescherpt wat concentratie, inprenting, horen en blootstelling aan geluidsbelasting betreft en daarbij aangegeven gezien appellants actuele prestatie en (rest)activiteiten in beroepsmatige en recreatieve zin geen reden aanwezig te achten de beperking ten aanzien van een hoog handelingstempo uit te breiden met een generale beperking en uit energetisch en preventief oogpunt evenmin reden aanwezig te achten de kwalitatieve urenbeperking uit te breiden met een kwantitatieve urenbeperking. De rechtbank is evenals het Uwv van die aldus aangescherpte FML uitgegaan.

6.5. Voorzover de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische gegevens kunnen worden betrokken op de datum thans in geding en bestaan uit meer dan een weergave van subjectieve klachten, is appellant er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat hij ten tijde in geding op de in die gegevens aan de orde gestelde aspecten meer was beperkt dan in die aangescherpte FML is vastgelegd en bijgevolg de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kon vervullen.

De aan appellants huisarts gerichte brief van GZ-psycholoog Van Pelt van 18 februari 2009 noch de aan de primaire verzekeringsarts gerichte brief van Van Pelt van 3 juli 2008 heeft in essentie een andere inhoud dan de aan de bezwaarverzekeringsarts gerichte brief van Van Pelt van 6 januari 2009 mede op grond waarvan de bezwaarverzekeringsarts op 9 januari 2009 de FML heeft aangescherpt. Niet is in te zien dat die aanscherping op basis van die gegevens niet in voldoende mate heeft plaatsgevonden. Voor zover het rapport van Beijens - waarover appellant reeds vóór het nieuwe besluit op bezwaar van 20 juli 2009 de beschikking had, maar dat door hem eerst in hoger beroep is overgelegd - op objectieve gegevens gebaseerde bevindingen bevat, is niet in te zien dat de op 9 januari 2009 aangescherpte FML tekort schiet.

In de brief van Auwerda van 16 december 2009 is vermeld dat Auwerda appellant telefonisch heeft gesproken waarbij appellant heeft aangegeven nog steeds dezelfde klachten te hebben en dat de mogelijkheid van een immunologische aandoening dan wel myositis bestaat. Voor zover dienaangaande al kan worden gesproken van op eigen onderzoek door Auwerda gebaseerde bevindingen, kan de evenvermelde mogelijkheid niet als voldoende basis voor het aannemen van medische beperkingen worden aangemerkt. In de brief van Pro Health zijn geen op basis van de in juni 2010 afgenomen borrelia-testen op appellant toegespitste conclusies getrokken die op de datum thans in geding kunnen worden betrokken en die tot beperkingen per die datum kunnen worden herleid; uit die testen kan ook niet worden afgeleid of de besmetting heeft plaatsgevonden vóór die datum. De door RHEON-verzekeringsarts Offermans op basis van dossierstudie (waarmee op zichzelf niets mis is) getrokken conclusies zijn afdoende weerlegd door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 24 augustus 2010.

6.6. Hetgeen appellant na de zitting in hoger beroep heeft aangevoerd acht de Raad door het Uwv afdoende weerlegd met de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 21 oktober 2010 en 30 december 2010.

7. De aan de schatting ten grondslag gelegen functies gaan medisch gezien de grenzen van de aangescherpte FML niet te buiten.

8. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ