Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
10-4343 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WAZ-uitkering terecht buiten behandeling gesteld. Geen informatie met betrekking tot de inkomsten uit onderneming over het jaar 1987 overgelegd, of over de omvang van de werkzaamheden in het eigen bedrijf. Verwijtbaarheid. Voorts is appellant ruimschoots door het Uwv in de gelegenheid gesteld om de betreffende gegevens te achterhalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4343 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2010, 09/2633 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 17 oktober 2008 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) ingediend in verband met op 3 augustus 1987 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Op die dag werd op appellant, die vanaf 15 maart 1987 eigenaar van een grill-shoarmazaak was, een aanslag gepleegd. Op 30 oktober 2008 heeft het Uwv appellant gevraagd om overlegging van nadere bewijsstukken om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen. Daarbij is gevraagd om medische bewijsstukken, namen van de behandelende artsen van destijds, alsmede om gegevens met betrekking tot inkomsten uit de onderneming, waarvan appellant tot 21 september 1987 eigenaar is geweest, zoals de jaarstukken en de belastingaangifte over het jaar 1987. Bij onmogelijkheid om financiële gegevens te overleggen is appellant gevraagd aan te tonen dat hij minimaal 38 uur in het bedrijf werkzaam is geweest. Het Uwv heeft aangegeven zonder deze gegevens de aanvraag van appellant niet in behandeling te nemen. Op 9 december 2008 heeft appellant nota’s van ziekenhuisbezoeken overgelegd, alsmede krantenartikelen en stukken uit het strafdossier. Bij brief van 25 februari 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld nog steeds te wachten op de gevraagde gegevens. Op 3 maart 2009 heeft appellant desgevraagd nadere stukken overgelegd, waaronder een brief van de belastingdienst van 30 januari 2009, waarin is vermeld dat de stukken uit 1987 inmiddels door de belastingdienst vernietigd waren. Op 3 april 2009 is namens appellant bevestigd dat er geen verdere stukken overgelegd konden worden. Bij besluit van 6 april 2009 heeft het Uwv onder verwijzing naar de brieven van 30 oktober 2008 en 25 februari 2009 besloten de aanvraag om een WAZ-uitkering niet in behandeling te nemen.

2. Bij besluit van 17 juli 2009 (verder: bestreden besluit) is het bezwaar met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een onvolledige aanvraag. Een verzekeringsarts of deskundige zou in staat moeten zijn de medische situatie in 1987 vast te stellen. Namens appellant is een brief van een neuroloog van 2 maart 2010 in geding gebracht. Verder is aangevoerd dat de winstcijfers niet van belang zijn voor het vaststellen van de eventuele aanspraak op uitkering ingevolge de WAZ.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is in het midden gelaten of het Uwv de aanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen vanwege het ontbreken van medische gegevens. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek van het Uwv om overlegging van inkomensgegevens over 1987 en evenmin heeft aangetoond minimaal 38 uur per week in het eigen bedrijf werkzaam te zijn geweest. Dat appellant niet (meer) over de betreffende stukken beschikt komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van appellant.

5. In hoger beroep zijn de eerder aangevoerde gronden herhaald. Voorts zijn namens appellant op 30 november 2010 een arbeidskundig rapport en een besluit - beiden een andere verzekerde betreffende - in geding gebracht.

6.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.2. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het Uwv terecht de in geding zijnde aanvraag buiten behandeling heeft gesteld en overweegt daartoe als volgt.

6.3. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Bij de beantwoording van de vraag of het Uwv op grond van artikel 4:5 van de Awb bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te laten staat tevens ter beoordeling of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

6.4. De Raad overweegt dat het Uwv bij brieven van 30 oktober 2008 en 25 februari 2009 expliciet heeft omschreven welke gegevens nodig werden geacht voor het in behandeling nemen van de aanvraag dan wel, na het overleggen van stukken door appellant, nog ontbraken. De Raad is van oordeel dat het Uwv het beschikken over deze gegevens terecht noodzakelijk heeft geacht voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De Raad stelt vast dat - los van het ontbreken van medisch inhoudelijke informatie - appellant geen informatie met betrekking tot de inkomsten uit onderneming over het jaar 1987 heeft overgelegd, of over de omvang van de werkzaamheden in het eigen bedrijf. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank, dat - daargelaten de medische beoordeling - appellant in verzuim is gebleven om inzicht in de financiële situatie van het eigen bedrijf te verschaffen, hetwelk nodig is om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen. Voorts is de Raad van oordeel dat appellant van het niet overleggen van de financiële gegevens een verwijt kan worden gemaakt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat van een zelfstandig ondernemer verwacht mag worden dat hij stukken met betrekking tot de financiën van zijn bedrijf, dan wel anderszins de onderneming betreffende, bewaart. Dat appellant die gegevens niet meer in zijn administratie heeft kunnen achterhalen en deze - door het tijdsverloop - evenmin nog via de belastingdienst opgevraagd konden worden komt naar het oordeel van de Raad volledig voor rekening van appellant. Daarbij is tevens van belang dat appellant ruimschoots door het Uwv in de gelegenheid is gesteld om de betreffende gegevens te achterhalen. De door gemachtigde van appellant op 30 november 2010 toegezonden stukken maken de beoordeling niet anders, alleen al omdat hieruit onvoldoende blijkt dat sprake is van een vergelijkbare situatie als de onderhavige. Het Uwv was mitsdien naar het oordeel van de Raad bevoegd de aanvraag om uitkering met toepassing van artikel 4:5 van de Awb niet te behandelen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

6.5. Het onder 6.2 tot en met 6.4 overwogene leidt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL