Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
10-2188 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2188 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 maart 2010, 09/3667 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.A. van der Meijden.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich met ingang van 16 februari 2000 ziek meldde met nek-, schouder-, hoofdpijn- en depressieve klachten. Bij besluit van 15 februari 2001 werd aan appellante met ingang van

14 februari 2001 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering bleef nadien bij een tweetal herbeoordelingen ongewijzigd. Een door een medisch medewerker op

4 april 2003 geadviseerd onderzoek door een verzekeringsarts in verband met een verbetering van haar functioneren, heeft toen niet plaatsgevonden.

2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 19 september 2008 onderzocht door de verzekeringsarts

G.J. van Wettum. Deze gaf in een rapport van dit onderzoek aan dat van een depressie geen sprake meer was. Bij het psychisch onderzoek nam Van Wettum geen stemmings- of angststoornis waar en leken concentratie en geheugen ongestoord. Wat betreft de lichamelijke klachten gaf appellante aan twee jaar geleden aan haar rechterpols te zijn geopereerd, waarna de pijnklachten afnamen maar krachtzetten (bijvoorbeeld wringen) minder goed ging. Dit laatste stelde Van Wettum ook bij het lichamelijk onderzoek vast en tevens dat de functie van de linker- en rechterpols ongestoord was er dat er geen motorische of sensibele afwijkingen waren. Van Wettum concludeerde dat appellante voltijds zou moeten kunnen werken in niet overmatig de polsen belastende functies. Deze conclusie legde hij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek een vijftal functies geselecteerd en het verlies aan verdienvermogen berekend op 4,94%. Hierna nam het Uwv op 6 februari 2009 ten aanzien van appellante een tweetal besluiten, inhoudende de vaststelling van een re-integratievisie en de intrekking van haar WAO-uitkering met ingang van

7 april 2009.

3. In de bezwaarprocedure voerde appellante aan dat haar beperkingen in verband met de pols- en psychische klachten zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts mr.drs. E.J.M. van Paridon onderschreef op 30 juni 2009 de medische beoordeling door Van Wettum. Volgens Van Paridon was het standpunt van appellante niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens. Het Uwv verklaarde bij besluit van 6 juli 2009 het bezwaar tegen de beide besluiten van 6 februari 2009 ongegrond.

4.1. In beroep legde appellante een journaal van de huisarts van 18 januari 2010 over. Daarin is onder andere vermeld dat appellante op het spreekuur van 3 mei 2009 was verschenen, dat zij zich vaak verdrietig voelt, veel huilt en haar familie in Turkije mist. Volgens de huisarts leek er sprake te zijn van lichte depressieve klachten, hyperventilatie en paniekklachten in combinatie met heimwee naar haar familie.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes wees in een reactie van 10 februari 2010 op het journaal erop dat appellante sinds 1 mei 2009 een nieuwe patiënte van de huisarts is, dat het spreekuur van de huisarts eerst na de datum in geding plaatsvond en dat voor de huisarts, die appellante doorverwees naar het GGZ, nog veel onduidelijk was.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit), voor zover dit zag op de re-integratievisie, niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Voorts verklaarde de rechtbank het beroep voor het overige ongegrond.

5.2. De rechtbank gaf wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit na beschrijving van het onderzoek van Van Wettum en Van Paridon als haar oordeel dat deze onderzoeken niet onzorgvuldig zijn geweest. Voorts concludeerde de rechtbank dat deze artsen tot een juist medisch oordeel waren gekomen. Inzake de informatie van de huisarts wees de rechtbank erop dat de depressieve klachten van appellante eerst na de datum in geding zijn gemeld, dat zij ook eerst enkele maanden na die datum bij de GGZ in behandeling is gekomen en dat Van Wettum bij zijn onderzoek geen verminderde psychische belastbaarheid van appellante heeft kunnen waarnemen. De rechtbank zag dan ook geen objectieve aanknopingspunten voor de conclusie dat van psychische klachten reeds op de datum in geding in dezelfde mate als bij het spreekuur van de huisarts sprake was. Voorts kon de rechtbank uit het journaal van de huisarts niet afleiden dat de hand- en polsbelastbaarheid op de datum in geding meer beperkt was dan in de FML was neergelegd. Ten slotte zag de rechtbank, gezien het arbeidskundig onderzoek, geen aanleiding voor het oordeel dat de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante overschreden.

6. In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze zien op een overschatting van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in verband met een complex van lichamelijke en psychische klachten. Ter onderbouwing is gewezen op aantekeningen van de behandelend fysiotherapeut van 20 januari 2010 en op een door de hoofdbehandelaar van de GGZ op 9 februari 2010 getekende behandelovereenkomst.

7.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de gemachtigde van appellante ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat het hoger beroep alleen ziet op de aangevallen uitspraak voor zover deze betreft de besluitvorming van het Uwv inzake de intrekking van de WAO-uitkering.

7.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Naast het in 5.2 samengevat weergegeven oordeel van de rechtbank merkt de Raad op dat over de behandeling van appellante voor haar kort na de datum in geding bij de huisarts gemelde psychische klachten niet meer gegevens in (hoger) beroep zijn overgelegd dan die betreffende het spreekuurcontact met de huisarts in mei 2009 en het in hoger beroep overgelegde behandelplan van 9 februari 2010. Voorts tekent de Raad aan dat in de weergave van de medische voorgeschiedenis van appellante in het journaal van de huisarts wel is vermeld dat er in 2006 sprake was van “CTS klachten” maar dat EMG-onderzoek geen Carpaal Tunnel Syndroom uitwees. Verder valt uit die voorgeschiedenis, anders dan appellante bij het onderzoek van Van Wettum aangaf, niet af te leiden dat zij twee jaar geleden – gelet op de datum van zijn onderzoek derhalve in 2006 – aan haar rechterpols was geopereerd.

7.3 Evenals de rechtbank uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde FML ziet ook de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies waartegen appellante overigens ook geen afzonderlijke bezwaren heeft ingebracht.

8. De overwegingen 7.1 tot en met 7.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

9. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ