Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
10-1348 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De rechtbank heeft met juistheid het bij een verzoek om terug te komen van een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit in acht te nemen beoordelingskader beschreven. Voorts heeft de rechtbank in het licht van dit kader met juistheid geoordeeld over het aan het verzoek ten grondslag gelegde rapport van Tans. De Raad onderschrijft dan ook mede de conclusie van Eken in haar in rubriek I van deze uitspraak vermeld rapport van 19 mei 2010, welke aansluit op het oordeel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1348 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2010, 08/2800 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts dr. P. Eken van 19 mei 2010.

Het Uwv heeft desgevraagd stukken betreffende een eerdere beroepsprocedure van appellant bij de rechtbank (uitspraak 7 december 2005, 04/620) overgelegd.

Bij brief van 21 december 2010 heeft mr. Maats meegedeeld appellant niet meer als gemachtigde in de onderhavige procedure in hoger beroep bij te staan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als ijzerwerker toen hij zich in augustus 1990 arbeidsongeschikt meldde. Aan appellant is in aansluiting op het doorlopen van de wettelijke wachttijd een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke – na een aantal herzieningen – met ingang van 11 oktober 1996 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 8 juli 2003 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 27 augustus 2003 herzien naar de klasse 45 tot 55%. Hieraan lag onder andere ten grondslag een medisch onderzoek door de arts dr. C.M.B. Duwel. In een rapport van 7 februari 2003 gaf Duwel aan dat bij het onderzoek van de rug geen beperkingen waren gevonden. In verband met zijn bevindingen bij het psychisch onderzoek legde Duwel in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum alleen beperkingen vast in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren).

2.2. Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het Uwv vastgesteld dat er geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 18 augustus 2003 in verband met een ongeval (een gasexplosie in een coffeshop) op die dag. Aan dit besluit lag ten grondslag een rapport van de arts A.M. Schutte van 16 september 2003, waarin zij uitvoerig het appellant overkomen ongeval beschreef. Voorts gaf zij aan dat bij haar onderzoek op 16 september 2003 sprake was van een redelijke beweeglijkheid van de rug in alle richtingen volgens norm, dat er geen druk- of kloppijn over de wervels was en dat er geen radiculaire prikkeling of neurologische uitvalsverschijnselen waren. Als diagnose stelde Schutte onder andere “Tijdelijke acute rugklachten door kneuzing van de spieren ten gevolge van een ongeval”. Schutte concludeerde dat appellant als gevolg van het ongeval licht lichamelijk letsel aan de rug had opgelopen en dat dit niet leidde tot beperkingen boven de normaalwaarden anders dan opgenomen in de FML van 7 februari 2003. Deze FML achtte zij doorlopend ongewijzigd van toepassing.

2.3. In de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 8 juli en 21 oktober 2003 onderschreef de bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas op 23 februari 2004 de FML en de conclusies van het onderzoek van Schutte. Bij dit laatste tekende hij aan dat geen sprake is geweest van vier weken toegenomen beperkingen als gevolg van het ongeval. Vervolgens verklaarde het Uwv de bezwaren van appellant tegen deze besluiten bij besluit van 24 februari 2004 ongegrond.

2.4. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 24 februari 2004 bij uitspraak van 7 december 2005, 04/620, ongegrond. De rechtbank volgde in die uitspraak het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige revalidatiearts E.L.D. Angenot van 14 juni 2005. Angenot vermeldde dat bij röntgenonderzoek op 18 en 25 augustus 2003 geen afwijkingen waarneembaar waren aan de lumbale en thoracale wervelkolom en dat bij lichamelijk onderzoek geen relevante afwijkingen werden gevonden. Angenot onderschreef de functionele mogelijkheden van appellant met ingang van 18 augustus 2003. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

3. Mr. Maats, voornoemd, heeft bij brief van 12 december 2007 verzocht terug te komen van (de beoordeling van Schutte ten grondslag liggend aan) het besluit van 21 oktober 2003. Daarbij wees hij op een rapport van neuroloog dr. J.Th.J. Tans van

14 september 2006, waarin deze aangaf dat door de behandelend neuroloog bij MRI-onderzoek op het niveau Th9-Th10 een kleine mediane/links paramediane HNP was waargenomen. Deze kleine HNP was volgens Tans niet de oorzaak van het klachtenpatroon aan de thoracale en lumbale wervelkolom maar hij kon overigens niet uitsluiten dat deze was ontstaan door het ongeval.

4. Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van 16 september 2003 omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die er toe leiden dat die beoordeling onjuist zou zijn.

5. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2008 bij besluit van 18 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat appellant feitelijk heeft verzocht terug te komen van het besluit van 21 oktober 2003 en dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Aan deze conclusie heeft het Uwv ten grondslag gelegd het rapport van Eken van 13 augustus 2008. Volgens Eken beschreef Tans in 2006 hetzelfde klachtencomplex als Schutte in 2003 en Angenot in 2005. Gezien de conclusies Van Tans dienden de rugklachten van appellant te worden gezien als aspecifieke chronische lage rugklachten en kon appellant daarmee voldoen aan de normaalwaarden van de door Schutte ongewijzigd gehandhaafde FML.

6.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 18 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

6.2. De rechtbank heeft daarbij in de eerste plaats onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 6 augustus 2008, LJN BD9548) gewezen op het bij een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit als het onderhavige besluit van 21 oktober 2003 in verband met artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht door de bestuursrechter in acht te nemen beoordelingskader. Dit kader houdt – kort gezegd – in dat bij het verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld en dat de bestuursrechter zich beperkt tot de vraag of hiervan sprake is en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te zien het oorspronkelijke besluit te herzien.

6.3. In het licht van het in 6.2 aangegeven beoordelingskader heeft de rechtbank ten aanzien van het verzoek van appellant overwogen als volgt: “De rechtbank stelt vast dat de rugklachten van eiser derhalve bij verweerder bekend waren ten tijde van het besluit van 21 oktober 2003. Er is door de verzekeringsarts gericht onderzoek naar de rug gedaan, waarbij geen afwijkingen zijn aangetroffen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door eiser ingezonden medische rapportage van 14 september 2006 dat volgens vaste jurisprudentie van de CRvB een medische verklaring als zodanig geen nieuw feit is zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar dat uit een medische verklaring de aanwezigheid van een nieuw feit of van nieuwe feiten kan blijken. De rechtbank stelt vast dat de in het rapport van Tans benoemde HNP niet eerder aan de orde is gekomen. Niet bij de verzekeringsarts en niet bij de revalidatiearts. De rechtbank ziet de HNP dan ook als een nieuw feit welke eerst met het rapport van 14 september 2006 naar voren is gebracht. Echter zoals door Tans beschreven kan de HNP niet de oorzaak van het klachtenpatroon zijn en leidt de HNP ook niet tot andere neurologische verschijnselen.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat hoewel er sprake is van een nieuw feit verweerder daarin geen aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.”.

7. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze houden – kort gezegd – in dat zijn rugklachten wel degelijk zijn veroorzaakt door de vastgestelde hernia en dat er derhalve sprake is van een nieuw feit dat tot herziening van het besluit van 21 oktober 2003 aanleiding had dienen te geven.

8.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om ten aanzien van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met juistheid het bij een verzoek om terug te komen van een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit in acht te nemen beoordelingskader beschreven. Voorts heeft de rechtbank in het licht van dit kader met juistheid geoordeeld over het aan het verzoek ten grondslag gelegde rapport van Tans. De Raad onderschrijft dan ook mede de conclusie van Eken in haar in rubriek I van deze uitspraak vermeld rapport van 19 mei 2010, welke aansluit op het oordeel van de rechtbank.

8.2. Overweging 8.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ