Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09-6850 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Geen noodzaak voor een medische urenbeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6850 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 november 2009, 09/252

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J. Arts, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen van 17 februari 2010 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Arts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als verkoper, is op 20 november 2006 uitgevallen in verband met de gevolgen van een (goedaardige) hersentumor. Begin maart 2007 is appellant hieraan geopereerd.

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2008 geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, onder overweging dat appellant, na afloop van de wachttijd, met ingang van 17 november 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3. Bij besluit van 2 maart 2009 is het tegen het besluit van 9 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2009 (hierna: bestreden besluit), ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – kort samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de door appellant genoemde klachten van duizeligheid, draaierigheid, moeheid en concentratiestoornissen informatie heeft opgevraagd bij de neuroloog en de huisarts, maar dat de verstrekte informatie hem geen aanleiding heeft gegeven meer beperkingen aan te nemen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat aan de nadere informatie van de huisarts en de door appellant overgelegde bijsluiter van een door appellant gebruikt geneesmiddel dat mogelijk duizeligheidsklachten kan veroorzaken, niet die waarde kan worden gehecht die appellant daaraan toegekend wenst te zien, mede omdat appellant geen nader medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de duizeligheidsklachten ten tijde in geding dusdanig ernstig waren dat er meer of andere beperkingen zouden moeten worden aangenomen dan de bezwaarverzekeringsarts heeft gedaan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellant ter zitting heeft verklaard dat de klachten vanaf eind januari 2009 zijn toegenomen.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald zich niet te kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Met name heeft appellant gesteld dat hij ten gevolge van zijn medische klachten, met name duizeligheid, draaierigheid, moeheid en concentratiestoornissen, meer en verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen in de door de bezwaarverzekeringsarts bijgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 januari 2009. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij door zijn klachten slechts kan functioneren tussen 10:00 uur en 15:00 uur en er derhalve een urenbeperking aangenomen dient te worden.

4. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank daarover voor onjuist te houden en hij onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Met betrekking tot de duizeligheidsklachten van appellant voegt de Raad hier nog aan toe appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn duizeligheidsklachten hem op de datum hier in geding dermate belemmerden dat hij om die reden op die datum meer dan wel verdergaand beperkt moest worden geacht. De Raad is met bezwaarverzekeringsarts

Van Haeringen van oordeel dat uit de door hem verkregen informatie van behandelend neuroloog J.B. van der Gaast van 15 december 2008 en de informatie van huisarts W.H. Jager van 31 december 2008 met daarbij gevoegde specialistenberichten, waaronder informatie van neuroloog Bollen, niet is gebleken dat bij appellant sprake is van een neurologisch substraat die zijn duizeligheidsklachten, voor zover deze, gezien met name de informatie van de huisarts, ook aanwezig waren op de datum hier in geding, kunnen verklaren. Nu omtrent de gezondheidstoestand van appellant ten tijde hier van belang, ondanks een aankondiging daartoe, ook in hoger beroep geen nadere medische informatie in geding is gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit op dit punt onjuist of onvolledig zou zijn.

4.2. De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling dat er gelet op zijn klachten een urenbeperking is aangewezen. Bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen heeft in zijn rapport van 7 januari 2009 geconcludeerd dat er met inachtneming van de beperkingen - waaronder een beperking voor avond- en nachtwerk - geen medische noodzaak is voor het stellen van een urenbeperking. Hij heeft daarbij meegewogen dat geen sprake is van een aandoening met ernstig energieverlies, er geen sprake is van opname of intensieve behandeling en er evenmin sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld met evident risico voor decompensatie. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen in zijn rapport voldoende gemotiveerd dat een noodzaak voor een medische urenbeperking ontbreekt en de Raad volgt dan ook diens conclusie. In hoger beroep zijn geen nieuwe medische gegevens overgelegd of medische argumenten naar voren gebracht die een ander licht op de medische beoordeling inzake de noodzaak van een urenbeperking werpen.

4.3. Er zijn geen arbeidskundige grieven ingediend en de Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat alleen de juistheid van de vaststelling door het Uwv van de voor appellant geldende medische beperkingen in hoger beroep aan de orde is.

4.4. Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR