Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP5135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
09-1068 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1068 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2009, 08/832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. S. Broens, advocaat te Utrecht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2009. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Broens. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.M.M. Schalkwijk.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek heropend en G.T. Gerssen, psychiater, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Gerssen heeft bij schrijven van 27 mei 2010 rapport uitgebracht, waarbij hij een nader deskundigenonderzoek door een neuroloog heeft geadviseerd.

De Raad heeft vervolgens dr. J.W. Stenvers, neuroloog, benoemd als deskundige. Stenvers heeft bij schrijven van 17 november 2010 rapport uitgebracht aan de Raad.

Het Uwv noch appellant heeft aanleiding gezien voor een inhoudelijke reactie op de rapporten van Gerssen en Stenvers.

Vervolgens hebben beide partijen ermee ingestemd dat de Raad uitspraak doet zonder dat een nadere behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 28 februari 2008, bij welk besluit het Uwv heeft gehandhaafd zijn eerdere besluit van 28 juni 2007 waarbij hij heeft vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 9 juli 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het besluit van 28 februari 2008 van het Uwv berust op een toereikende en juiste medische grondslag en dat de aan appellant voorgehouden functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, een belasting kennen die in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals vastgesteld bij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2007. Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts dat appellant met deze functies een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd in het kader van de Wet WIA. Het beroep van appellant slaagt derhalve niet.

2.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft vanwege zijn wisselende belastbaarheid ten gevolge van de cyclothyme stoornis waaraan hij lijdt. Subsidiair heeft hij gesteld dat in de FML ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht, doelmatig handelen, zelfstandig handelen en het aantal uren per dag dat hij werkzaamheden kan verrichten. Voorts is aangevoerd dat de voorgehouden functies niet geschikt zijn in verband met de bij deze functies voorkomende belasting ten aanzien van concentreren van de aandacht, hoog handelingstempo, lezen, samenwerken en probleemoplossen.

2.2. De Raad heeft, na behandeling ter zitting op 16 november 2009, het onderzoek heropend en psychiater Gerssen benoemd als deskundige. Gerssen komt in zijn rapport van 27 mei 2010 tot de conclusie dat er bij appellant op de datum in geding, 9 juli 2007, sprake was van een recidiverende depressieve stoornis en een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven. Gerssen kan zich, ten aanzien van zijn vakgebied, verenigen met de FML van 25 mei 2007. Hij acht een nader onderzoek nodig door een neuroloog in verband met een lichte tremor van het hoofd van appellant en het feit dat appellant steeds met oordopjes rondloopt. De Raad heeft hierop neuroloog Stenvers benoemd als deskundige. Stenvers heeft in zijn rapport van 17 november 2010 aangegeven dat appellant in juli 2010 is onderzocht door een neuroloog, waarna in oktober 2010 een MRI-scan van het hoofd is gemaakt en aanvullend bloedonderzoek is verricht. Deze neuroloog heeft bij de bespreking van de uitslag van de onderzoeken vastgesteld dat er geen afwijkingen waren gevonden en dat er geen reden was voor neurologische controle of behandeling. Appellant is door de neuroloog teruggestuurd naar de behandelende psychiater. Stenvers heeft appellant neurologisch onderzocht op 9 november 2011. Hierbij heeft hij geen specifieke afwijkingen vastgesteld. Stenvers komt dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van neurologisch lijden en er geen reden is om de belastbaarheid van appellant op neurologische gronden bij te stellen.

3.1. Volgens vaste rechtspraak volgt de Raad het oordeel van een door hem ingeschakelde deskundige, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken. De rapporten van de deskundigen Gerssen en Stenvers zijn zorgvuldig tot stand gekomen, consistent en naar behoren gemotiveerd. De Raad volgt de deskundigen dan ook in hun oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv een onjuiste inschatting heeft gemaakt van de gezondheidstoestand van appellant en de daarbij behorende beperkingen op de datum in geding.

3.2. Vervolgens komt de Raad toe aan de vraag of het Uwv terecht de functies administratief medewerker (SBC 315090), machinaal verspaner (SBC 264030) en produktiemedewerker industrie (SBC 111180) aan de schatting ten grondslag heeft gelegd, gelet op de bij de FML van 25 mei 2007 vastgestelde functionele mogelijkheden van appellant. De Raad is in dit kader allereerst van oordeel dat de in deze functies voorkomende signaleringen afdoende zijn toegelicht door bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 27 februari 2008. Wat betreft de door appellant in hoger beroep opgeworpen argumenten betreffende de belasting in deze functies ten aanzien van concentreren van de aandacht, hoog handelingstempo, lezen, samenwerken en probleemoplossen overweegt de Raad dat, nu in de FML op deze punten geen beperking is vastgesteld, er geen aanleiding is om de functies op deze punten ongeschikt te achten. De Raad kan zich vinden in de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige, neergelegd in de rapportage van 2 maart 2009.

3.3. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet.

3.4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) T.J. van der Torn.

NK