Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-4 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Geen aanwijzingen dat appellant op de hoorzitting iets in de weg is gelegd om zijn gevoelen omtrent het onderhavige geschil kenbaar te maken. Voldoende medische grondslag. Zorgvuldig medisch onderzoek. Bij de vaststelling van de beperkingen is voldoende rekening gehouden met het medicatiegebruik. De geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 november 2009, 09/868 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de nader door appellant overgelegde stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.V.L. Kicken, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 18 november 2008 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het Uwv heeft het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 11 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank kort weergegeven, overwogen dat zij zich kan verenigen met de medische grondslag van het besluit en voorts dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden en het eindresultaat daarvan in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins aan de desbetreffende besluitverlening te stellen eisen. Nu niet bij het bestreden besluit, maar pas in de beroepsfase de gewenste toelichting en/of motivering van alle door het systeem aangebrachte signaleringen door de bezwaararbeidsdeskundige is gegeven, komt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking. Omdat dit gebrek in de beroepsfase is hersteld heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en heeft zij voorts beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. Appellant heeft in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in bezwaar en beroep aangevoerd. Appellant is van mening dat de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is vastgesteld en dat hij, onder meer vanwege zijn medicatiegebruik, meer beperkingen ondervindt dan door het Uwv zijn aangenomen. Appellant is tevens van mening dat de belasting die in de geduide functies voorkomt in strijd is met zijn werkelijke belastbaarheid. Tot slot voert appellant aan dat het contact op de hoorzitting met de bezwaarverzekeringsarts niet prettig verlopen is en dat hij heeft ervaren niet gehoord te zijn.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Aan het eerst in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt omtrent het verloop van de hoorzitting en het gevoel dat appellant daaraan heeft over gehouden, verbindt de Raad niet die consequenties die appellant, zoals ter zitting naar voren gebracht, daaraan verbonden zou willen zien. Uit het verslag van de hoorzitting, waarvan de juistheid door appellant niet eerder in twijfel is getrokken, leidt de Raad af dat appellant ten tijde van de hoorzitting zijn onvrede met betrekking tot de medische beoordeling naar voren heeft gebracht en een toelichting heeft gegeven op zijn medische situatie en het behandelplan. Daarnaast blijkt uit het verslag dat zowel de broer als de echtgenote van appellant op de hoorzitting in de gelegenheid zijn gesteld het woord te voeren. Uit dat verslag blijkt dat het standpunt van appellant inhoudelijk adequaat is toegelicht. Naar het oordeel van de Raad zijn er geen aanwijzingen dat appellant iets in de weg is gelegd om zijn gevoelen omtrent het onderhavige geschil kenbaar te maken. De Raad ziet dan ook geen aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit op deze door appellant aangevoerde grond te vernietigen.

4.3. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad overweegt hiertoe dat appellant in hoger beroep geen (nadere) objectieve medische gegevens heeft ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat hij ten tijde van de datum in geding verdergaand beperkt is dan is aangenomen door het Uwv.

4.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte de handelwijze van de bezwaarverzekeringsarts, te weten het niet (langer) afwachten van door hem opgevraagde informatie van de orthopedisch chirurg Schild, zorgvuldig heeft geacht. De Raad acht met name van belang dat de bezwaarverzekeringsarts ten tijde van zijn beoordeling van de bij appellant aanwezige medische beperkingen de beschikking had over het rapport van 3 december 2008 van deze orthopedisch chirurg en daardoor, gelet op de datum in geding van 18 november 2008, over zeer recente medische informatie. Gelet hierop en het feit dat, zo is ter zitting door appellant bevestigd, nadien geen nadere relevante onderzoeken hebben plaatsgevonden en er evenmin overige relevante medische gegevens van de zijde van appellant zijn ingebracht, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van de bezwaarverzekeringsarts in deze niet als onzorgvuldig moet worden beschouwd.

4.5. Het standpunt van appellant dat bij de vaststelling van zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn medicatiegebruik volgt de Raad evenmin. De Raad is van oordeel dat het, gelet op hetgeen ter zitting door appellant is verklaard, allerminst vaststaat dat appellant op de datum in geding het medicijn Tramadol kreeg voorgeschreven. In dat kader acht de Raad het tevens van belang dat uit de in beroep overgelegde receptsticker blijkt dat dit medicijn op 16 januari 2009 is voorgeschreven en appellant op de hoorzitting op 10 maart 2009 heeft vermeld zwaardere medicijnen te hebben gekregen. Voort is de Raad van oordeel dat, indien ervan wordt uitgegaan dat appellant op de datum in geding wel het medicijn Tramadol gebruikte, dit er niet noodzakelijkerwijs toe leidde dat zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen. De Raad volgt hetgeen daaromtrent de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 juli 2009 gemotiveerd heeft betoogd. De bezwaarverzekeringsarts onderkent dat de genoemde medicatie als bijwerking een vermindering van het reactievermogen kan hebben, maar stelt dat dit echter niet zodanig is dat daardoor het vaststellen van beperkingen ten aanzien van het besturen van auto’s of het bedienen van (met name) potentieel gevaar opleverende machines noodzakelijk moet worden geacht. In hetgeen door appellant ten aanzien van dit aspect naar voren is gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt te twijfelen.

4.6. Aldus uitgaande van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

JL