Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-611 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Nu geen nieuwe medisch informatie is overgelegd is er geen aanleiding te twijfelen aan de in de FML opgenomen beperkingen ten aanzien van rug- en beenbelasting. Door appellant is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in beperkende mate dyslectisch is.

Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn ADHD klachten meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/611 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 december 2009, 09/2065 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een

bezwaarverzekeringsarts op de nader door appellant ingezonden medische gegevens overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Timmer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt in verband met rugklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. In oktober 2008 is appellant in het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit gezien door een verzekeringsarts van het Uwv, die op basis van de bevindingen van het eigen onderzoek, heeft vastgesteld dat appellant een duurzaam benutbare restcapaciteit heeft zodat een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld. In de door deze arts opgestelde FML van 2 oktober 2008 zijn naast beperkingen ten aanzien van zware fysieke (rug)belasting tevens beperkingen ten aanzien van nachtdiensten en onregelmatige diensten aangenomen. Uit vervolgens verricht arbeidskundig onderzoek komt volgens het Uwv naar voren dat appellant met zijn beperkingen nog in staat moet worden geacht tot het vervullen van bepaalde, aan hem voorgehouden, functies en dat met die functies een zodanig inkomen kan worden verworven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden gesteld op ruim 35%. Op basis van deze bevindingen en conclusies heeft het Uwv bij besluit van 5 november 2008 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 oktober 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 5 november 2008 bezwaar gemaakt en daarbij zowel medische als arbeidskundige gronden aangevoerd. Bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft op basis van het eigen onderzoek en de medische informatie welke hij op de hoorzitting van appellant verkreeg geconcludeerd dat zijn onderzoeksbevindingen leiden tot een FML van 23 januari 2009 waarin bijgestelde beperkingen zijn neergelegd. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd, daarbij gemotiveerd ingaand op hetgeen in bezwaar ten aanzien van de medische geschiktheid van de functies is aangevoerd, dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies binnen de in de FML neergelegde belastbaarheid blijft en dat de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% onverminderd van toepassing is. Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 25 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.1. Zij heeft daartoe overwogen dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig medisch onderzoek waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat appellant door de verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht en dat deze arts, alvorens een FML op te stellen, dossierstudie heeft verricht waarin informatie van de behandelend sector voorhanden was. Daarnaast heeft de rechtbank eveneens in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts appellant op de hoorzitting heeft gezien, appellant lichamelijk heeft onderzocht en recente informatie, verkregen tijdens de hoorzitting, van de behandelend sector bij zijn overwegingen heeft betrokken. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van appellants standpunt dat het medische oordeel van de verzekeringartsen niet juist is. De rechtbank heeft in dit kader overwogen dat appellant beperkt is geacht ten aanzien van zware rugbelasting en dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn, naar aanleiding van de gronden in beroep opgemaakte, rapport van 5 juni 2009 gemotiveerd te kennen heeft gegeven waarom de geclaimde dyslexie en ADHD geen aanleiding geven tot het aannemen van extra beperkingen. Nu appellant in beroep geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de beide verzekeringsartsen heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het oordeel van deze artsen heeft verlaten.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 9 november 2004 en 12 oktober 2006, geoordeeld dat eerst in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 7 juli 2009 de zogenoemde signaleringen voldoende zijn toegelicht en voldoende gemotiveerd is waarom deze signaleringen geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat door het door de bezwaararbeidsdeskundige laten vervallen van een van de geduide functies weliswaar het verlies aan verdiencapaciteit wijzigt, doch niet zodanig dat appellant hierdoor in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse zou vallen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich niet met de aangevallen uitspraak kan verenigen voor zover deze ziet op het medische oordeel van het Uwv. Appellant blijft van mening dat zijn rug- en beenklachten zijn onderschat, alsmede dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn dyslexie en ADHD. Ter onderbouwing van zijn klachten heeft appellant -onder meer- nadere neurologische informatie en een intake-verslag van Parnassia psycho-medisch centrum overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Gelet op het hetgeen in hoger beroep en ter zitting is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

4.2. De in hoger beroep overgelegde brieven van de neurologen van 5 juni 2008 en 28 oktober 2005 waren ten tijde van de heroverweging in bezwaar bij de bezwaarverzekeringsarts bekend, hetgeen ook blijkt uit zijn rapport van 23 januari 2009 en zijn naar behoren meegewogen bij de verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling in bezwaar. Nu geen nieuwe medisch informatie is overgelegd ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de in de FML opgenomen beperkingen ten aanzien van rug- en beenbelasting.

4.3. Het standpunt van appellant dat bij het vaststellen van zijn beperkingen ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn door dyslexie veroorzaakte lees- en schrijfproblematiek volgt de Raad niet. De Raad is van oordeel dat door appellant onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij in beperkende mate dyslectisch is. De brief van huisarts H. Vrolijk van 14 juni 2010 biedt onvoldoende steun voor appellants stelling, nu daaruit enkel blijkt dat eventuele dyslexie nooit is onderzocht. Aan een briefje van de directeur van appellants voormalige lagere school en van een buurvrouw die appellant behulpzaam is bij het verrichten van administratieve zaken, kan de Raad evenmin doorslaggevend gewicht toekennen.

4.4. Het standpunt van appellant dat de artsen van het Uwv bij het vaststellen van zijn beperkingen onvoldoende rekening hebben gehouden met de stoornis ADHD volgt de Raad evenmin. Met appellant oordeelt de Raad dat het gelet op de in het dossier aanwezige medische gegevens, met name eerder genoemde brief van de huisarts, het huisartsenjournaal voor zover dat ziet op de datum 12 december 2003 en de rapporten van PsyQ van oktober 2003 en 25 januari 2005, aannemelijk is dat appellant lijdt aan deze stoornis. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn ADHD klachten meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen. Voorts blijkt uit de brief van 25 januari 2005 van Parnassia dat de ADHD behandeling van appellant over de periode 2003-2005 heeft geleid tot een duidelijke verbetering van de ADHD symptomatologie. In dit kader ziet de Raad er ten slotte niet aan voorbij dat uit het dossier blijkt dat appellant, ondanks zijn ADHD klachten die destijds nog niet werden behandeld, ruime werkervaring heeft opgebouwd en daardoor heeft aangetoond in staat te zijn arbeid te verrichten. De Raad ziet dan ook geen grond voor appellants stelling dat deze klachten dienen te leiden tot het aannemen van extra beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid op de datum in geding.

4.5. De Raad is voorts, evenals de rechtbank, van oordeel dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 23 januari 2009.

4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

JL