Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
09/2030 ZW + 10/2178 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering ziekengeld per 9 mei 2008. De onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken in het dossier -waaronder informatie van de behandelend specialisten- vormen voldoende grondslag voor het standpunt dat appellante geschikt te achten is voor haar werk. 2) Weigering ziekengeld per 29 oktober 2008 berust op goede gronden. Er is sprake van een discrepantie tussen de als fors beleefde klachten en onvermogens enerzijds en de relatief geringe geobjectiveerde afwijkingen anderzijds, bovendien is appellante ondanks haar klachten nog wel in staat om regelmatig voor haar jonge kinderen te zorgen en lichte huishoudelijke klussen te doen, terwijl het eigen werk als kraamverzorgster in fysieke zin zeker niet belastend was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2030 ZW

10/2178 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 februari 2009, 08/4779 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 10 maart 2010, 08/9291 (hierna: aangevallen uitspraak 2).

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van den Buijs, advocaat te ’s-Gravenhage, in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Op 3 januari 2011 heeft appellante nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van den Buijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ten aanzien van beide zaken.

1.2. De Raad overweegt op de eerste plaats dat de stukken gevoegd bij de brief van appellante van 3 januari 2011, voorzover deze nog niet eerder in de gedingen zijn ingebracht, wegens strijd met het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

1.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van een ziekte recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval is dat de functie van kraamverzorgster.

2.1. Ten aanzien van zaak 09/2030 ZW

2.2. Appellante heeft zich op 22 maart 2007 tijdens haar zwangerschap ziek gemeld voor haar werkzaamheden als kraamverzorgster wegens rugklachten, waarop aan haar een ZW-uitkering is toegekend. Daarnaast was sprake van hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. In aansluiting op het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft appellante zich op 18 augustus 2007 opnieuw ziek gemeld vanwege hoofdpijnklachten en duizeligheidsklachten. Appellant is hierop diverse malen op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien.

Nadat appellante op 9 mei 2008 voor het laatst op het spreekuur is gezien door de verzekeringsarts heeft deze namens het Uwv bij besluit van 9 mei 2008 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 9 mei 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 12 juni 2008 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 mei 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 6 juni 2008, ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten.

4. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij niet in staat is haar werk van kraamverzorgster te verrichten. Na de bevalling zijn de klachten van hoofdpijn en duizeligheid toegenomen, heeft ze last van gevoelloosheid in de arm en valt zij vaak zomaar. Daarnaast heeft zij moeite met lopen en praten als gevolg van de hoofdpijn en duizelingen hetgeen eveneens een belemmering vormt om haar werkzaamheden uit te oefenen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken in het dossier - waaronder informatie van de appellante behandelende neuroloog van 14 maart 2008 en KNO-arts van 9 april 2008 - voldoende grondslag voor het standpunt dat appellante geschikt te achten is voor haar werk. De hoofdpijn- en duizeligheidsklachten blijken volgens de bezwaarverzekeringsarts al jaren te bestaan en appellante blijkt daarvoor al jaren onder behandeling te staan. Voor de gestelde toename van hoofdpijn- en duizeligheidsklachten van appellante zijn geen medisch objectiveerbare verklaringen gevonden, nu in hoger beroep geen andersluidende medische informatie is overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

6. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking te komen.

7.1. Ten aanzien van zaak 10/2178

7.2. Appellante heeft na de beëindiging van de ZW-uitkering per 9 mei 2008 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanuit deze situatie heeft zij zich op 20 augustus 2008 tijdens haar tweede zwangerschap opnieuw ziek gemeld met hoofdpijnklachten. Nadat appellante op 29 oktober 2008 op het spreekuur is gezien door de verzekeringsarts heeft deze namens het Uwv bij besluit van 29 oktober 2008 aan appellante medegedeeld dat zij per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 3 december 2008 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 oktober 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 december 2008, ongegrond verklaard.

8. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 29 oktober 2008 in staat geacht moet worden de eigen arbeid te verrichten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de - na schorsing van het onderzoek - op verzoek van appellante nader overgelegde medische informatie van de neuroloog van 10 december 2009 geen aanleiding geeft om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De door appellante overgelegde medische informatie van de dermatoloog en van de KNO-arts heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten.

9. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij niet in staat is haar werkzaamheden van kraamverzorgster te verrichten. Zij wijst er daarbij op dat haar hoofdpijnklachten steeds erger zijn geworden en dat uit de informatie van de neuroloog van 10 december 2009 valt af te leiden dat de duizeligheid voortkomt uit een Labyrinth probleem. Verder is zij van mening dat de rechtbank ten onrechte medische informatie van de dermatoloog van 25 november 2009 en van KNO-arts Franken van 9 februari 2010 buiten beschouwing heeft gelaten.

10. De Raad overweegt als volgt.

10.1. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 3 december 2008, na bestudering van het dossier met daarin recente informatie uit oktober 2008 van de huisarts en van de appellante behandelende revalidatiearts en KNO-arts en na eigen medisch onderzoek, de bevindingen van de primaire verzekeringsarts bevestigd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kan de klachtentoename niet verklaard worden uit de recente objectieve bevindingen uit de curatieve sector. De bezwaarverzekeringsarts constateert op grond van alle hem bekende gegevens dat er sprake is van een discrepantie tussen de als fors beleefde klachten en onvermogens enerzijds en de relatief geringe geobjectiveerde afwijkingen anderzijds en dat appellante ondanks haar klachten nog wel in staat is om regelmatig voor haar jonge kinderen te zorgen en lichte huishoudelijke klussen te doen, en dat het eigen werk in fysieke zin zeker niet belastend was. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Ook de in beroep en hoger beroep overgelegde medische informatie werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak. Met betrekking tot de informatie van de neuroloog dr. K.I. Roon van 10 december 2009, de informatie van de dermatoloog van 25 november 2009 en van de KNO-arts van 9 februari 2010 onderschrijft de Raad in dit verband de reacties van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in respectievelijk de rapportages van 14 januari 2010, 11 februari 2010 en 27 mei 2010.

11. Gelet op het voorgaande dient aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking te komen.

12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

EK