Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
09-3093 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering op de grond dat betrokkene met ingang van 27 oktober 2008 belastbaar moet worden geacht conform de eerder ten behoeve van de WIA-beoordeling opgestelde FML. Als gevolg hiervan moet betrokkene in staat worden geacht tot het verrichten van (ten minste één van) de hem in het kader van die beoordeling geduide functies. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3093 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 april 2009, 08/2165 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op de door appellant ingezonden nadere informatie heeft het Uwv een reactie ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts A. Colijn van 29 juni 2010.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 januari 2011. Aldaar zijn partijen, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker buitendienst/algemeen medewerker, heeft zich op 19 september 2005 ziek gemeld wegens linkerschouder- en nekklachten. Bij het einde van de wachttijd, op de datum 4 september 2007, is hem een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellant met inachtneming van de voor hem gestelde beperkingen, die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt werd geacht voor de geduide functies.

1.2. Op 15 augustus 2008 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, opnieuw ziek gemeld in verband met rugklachten. Op 22 oktober 2008 is appellant gezien door de verzekeringsarts

J.B.C. van Mil, die appellant per 27 oktober 2008 geschikt achtte voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2008 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 27 oktober 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 20 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Laros van 20 november 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen reden ziet om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden en dat zij evenmin aanleiding ziet voor de conclusie dat sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat appellant met ingang van 27 oktober 2008 belastbaar moet worden geacht conform de eerder ten behoeve van de WIA-beoordeling opgestelde FML. Als gevolg hiervan moet appellant in staat worden geacht tot het verrichten van (ten minste één van) de hem in het kader van die beoordeling geduide functies, zodat het recht op ZW-uitkering met ingang van 27 oktober 2008 terecht is beëindigd.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat de ernst van zijn klachten wordt miskend. Behalve dat sprake is van ernstige rugklachten, waarvoor medicatie wordt gebruikt, is ook sprake van toename van nek-, schouder- en knieklachten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2. De Raad stelt voorop dat het besluit van 12 oktober 2007 tot weigering van de uitkering ingevolge de Wet WIA per 4 september 2007 in rechte vaststaat, nu tegen dat besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals door de verzekeringsarts aangegeven in de FML van 6 september 2007, alsmede van de geschiktheid van appellant voor de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan.

4.3. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering hebben de verzekeringsarts Van Mil en de bezwaarverzekeringsarts Laros de medische toestand van appellant op 27 oktober 2008 vergeleken met zijn belastbaarheid op 6 september 2007, zoals omschreven in de FML. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze artsen op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. De Raad volgt dan ook het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Laros, zoals nader toegelicht in zijn rapportage van 4 maart 2009 en van bezwaarverzekeringsarts Colijn in de rapportage van 29 juni 2010, waaruit blijkt dat de belastbaarheid van appellant niet is gewijzigd ten opzichte van de beoordeling in het kader van de Wet WIA. Daarbij is in voldoende mate rekening gehouden met de bij appellant aanwezige objectiveerbare beperkingen. Met betrekking tot de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de sportarts en het verslag van Fysius Rugexperts volgt de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Colijn, inhoudende dat deze geen nieuwe medische gegevens bevatten met betrekking tot de datum in geding en dat het genoemde verslag betrekking heeft op een onduidelijk onderzoek met een niet regulier bekend scanapparaat. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de Raad hebben de bezwaarverzekeringsartsen in hun rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 27 oktober 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Mitsdien heeft het Uwv met ingang van laatstgenoemde datum terecht aan appellant een (verdere) uitkering ingevolge de ZW geweigerd.

4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

EK