Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-946 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant moet in staat worden geacht de geduide functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/946 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 december 2009, 09/1731 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.W.G.M. Janssens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken overgelegd.

De behandeling ter zitting is aan de orde gesteld op 5 januari 2011, alwaar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 september 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 14 oktober 2008 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het Uwv heeft het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 3 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zowel aan het besluit van 9 september 2008 als aan het bestreden besluit ligt een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding afgewezen.

3. De rechtbank heeft onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts onderzocht is en beide verzekeringsartsen informatie uit de behandelend sector bij hun beoordeling hebben betrokken. Daarbij blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde lichamelijke en psychische klachten. De door appellant in beroep overgelegde medische gegevens waren naar het oordeel van de rechtbank nagenoeg alle bekend bij de verzekeringsartsen en zijn bij de beoordeling van appellants beperkingen meegewogen. Ook overigens heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die een objectiveerbare onderbouwing zijn van zijn standpunt dat hij per

14 oktober 2008 in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft danwel anderszins verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen en evenmin om de beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 juli 2008 voor onjuist te houden.

4. De rechtbank heeft ten aanzien van het arbeidskundig gedeelte van de aangevochten besluitvorming overwogen dat de in de resultaat functiebelasting van de door de arbeidsdeskundige aan appellant geduide functies, te weten inpakker (handmatig) (Sbc-code 111190), samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (Sbc-code 111180), voorkomende signaleringen alle zijn toegelicht. De rechtbank heeft, uitgaande van het vorenstaande, in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de medische beperkingen van appellant in die functies niet worden overschreden en dat de functies door het Uwv terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

5. Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de in eerdere aanleg aangevoerde stellingen herhaald. Hij stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest aangezien de bezwaarverzekeringsarts geen voldoende nader lichamelijk onderzoek heeft kunnen verrichten. Voorts is er onvoldoende belang gehecht aan de verwijzing van appellant door zijn huisarts naar de psychiater in oktober 2009 en de brief van de psychiater van 8 oktober 2009. Ten onrechte heeft de rechtbank de juistheid van de FML van 17 juli 2008 onderschreven en appellant verzoekt de Raad een deskundigen onderzoek te gelasten. Tot slot is appellant van mening dat hij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

6.2. De door appellant in hoger beroep aangevoerde grond dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is omdat deze geen (volledig) lichamelijk onderzoek heeft verricht slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts zelf geen (volledig) lichamelijk onderzoek bij appellant heeft gedaan brengt volgens vaste rechtspraak van de Raad niet mee dat reeds om die reden diens onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden aangemerkt. Daarbij acht de Raad mede van belang dat appellant wel door de verzekeringsarts lichamelijk onderzocht is en de bevindingen van dit onderzoek ten tijde van het onderzoek door de bezwaarverzekeringarts in het dossier aanwezig waren. Voorts is medische informatie met betrekking tot appellants fysieke gesteldheid, waaronder informatie van de neuroloog en revalidatie-arts, door de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling betrokken. Appellant heeft in hoger beroep tot slot geen nieuwe medische gegevens overgelegd die betrekking hebben op zijn gezondheidstoestand ten tijde in geding, die aanleiding geven voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

6.3. De Raad volgt evenmin het standpunt van appellant dat met de verwijzing naar een psychiater door zijn huisarts in 2009 en de brief van de psychiater uit 2009 onvoldoende rekening is gehouden. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten tijde van de beroepsprocedure, zo blijkt uit zijn rapport van 23 oktober 2009, beide stukken beoordeeld en geconcludeerd dat deze gegevens geen aanleiding zijn om ten aanzien van appellants belastbaarheid op de datum in geding een ander standpunt in te nemen. De Raad heeft geen aanleiding gezien om die conclusie niet houdbaar te achten.

6.4. De Raad ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding een nader deskundigen onderzoek te gelasten.

6.5. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 17 juli 2008 en gezien de toelichtingen op de signaleringen zoals vermeld in de rapporten van de arbeidsdeskundigen van 4 september 2008 en 27 februari 2009 is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.

6.6. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

JL