Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
09-2435 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld ingevolge de ZW omdat appellant niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval is dat de functie van broodbezorger. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op basis van de voorhanden medische gegevens tot een zorgvuldige en afdoende onderbouwde besluitvorming kunnen komen. Voor een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek bestond naar het oordeel van de Raad derhalve geen aanleiding. Met betrekking tot het niet verschijnen op de hoorzitting is de Raad tot slot van oordeel dat dit voor rekening en risico van appellant dient te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2435 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2009, 08/4237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Ummels. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als broodbezorger. Op 30 maart 2007 heeft hij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met vermoeidheidsklachten en schildklierlijden. Appellant is hierop diverse malen op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien. Nadat appellant op 24 juni 2008 voor het laatst op het spreekuur is gezien door de verzekeringsarts heeft deze namens het Uwv bij besluit van 24 juni 2008 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 30 juni 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 5 september 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 2 september 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij van oordeel dat het door het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest. Appellant heeft ernstige psychische klachten. De rapportage van OCA biedt volgens appellant te weinig grondslag voor een hersteldverklaring per 30 juni 2008. Verder wordt ten onrechte aangenomen dat appellant tijdens de bezwaarfase niet beschikbaar was voor onderzoek, omdat hij als gevolg van een misverstand de hoorzitting niet heeft bijgewoond. Verder is hij van mening dat een psychiatrisch onderzoek aangewezen was geweest en dat het behandelverslag van psychiater Y. Güzelcan op oneigenlijke gronden is gepasseerd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van een ziekte recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval is dat de functie van broodbezorger.

4.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat reeds in beroep is aangevoerd. De Raad ziet daarin geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en overweegt daartoe als volgt.

4.4. De verzekeringsarts heeft appellant meerdere malen op het spreekuur gezien, informatie van de huisarts meegenomen, de psychische klachten van appellant meegewogen en de resultaten van het door appellant gevolgde reactiveringsprogramma bij OCA afgewacht en vervolgens bij de besluitvorming betrokken. De verzekeringsarts was van mening dat er sprake was van inconsistentie ten aanzien van het klachtenpatroon zoals appellant dat tijdens de therapie bij OCA uitte en zoals hij dat bij een medische herbeoordeling in vervolg daarop uitte. De verzekeringsarts heeft appellant vervolgens geschikt geacht voor het eigen werk waarbij hij mede in aanmerking heeft genomen dat dit psychisch mild tot matig belastend wordt geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens - nadat hij informatie had opgevraagd en verkregen van het Riagg - de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd. Appellant heeft in de loop van de procedure geen medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. Met betrekking tot het door appellant in beroep overgelegde behandelverslag van psychiater Güzelcan van 24 oktober 2008 onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 27 november 2008 dat het er alles van heeft dat de psychiater zijn conclusies trekt op basis van het eenmalig, kortdurende intakegesprek dat mevrouw Mudde van het Riagg met appellant voerde. Deze informatie noopt de Raad - evenals de rechtbank - dan ook niet tot een ander oordeel. Uit de door de bezwaarverzekeringsarts verkregen informatie van mevrouw Mudde blijkt in dit verband dat er slechts één keer een kort intake contact is geweest en dat hij verder niet is verschenen op afspraken. Dat appellant meerdere malen door een psychiater is gezien acht de Raad in dit verband voorts onvoldoende aannemelijk nu daaromtrent uit de gedingstukken - afgezien van een afspraakbevestiging - niets valt af te leiden. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op basis van de voorhanden medische gegevens tot een zorgvuldige en afdoende onderbouwde besluitvorming kunnen komen. Voor een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek bestond naar het oordeel van de Raad derhalve geen aanleiding. Met betrekking tot het niet verschijnen op de hoorzitting is de Raad tot slot van oordeel dat dit voor rekening en risico van appellant dient te komen.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

EK