Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
09-4186 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld ingevolge de ZW op de grond dat appellante weer in staat moet worden geacht haar eigen arbeid te verrichten. Haar eigen functie als afdelingsassistente in een ziekenhuis is terecht als maatstaf aangemerkt. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4186 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/8744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als afdelingsassistente in een ziekenhuis. Aansluitend aan haar zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft zij zich op 26 juli 2008 wegens hoofdpijn en rechterarm- en schouderklachten ziek gemeld. Met ingang van genoemde datum is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Op 3 oktober 2008 is appellante gezien op het spreekuur van de arts M.H.M. Ruijter, die haar per 6 oktober 2008 geschikt heeft geacht voor haar maatgevende arbeid. Op grond hiervan heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2008 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 6 oktober 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 4 november 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 oktober 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 4 november 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en is op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 6 oktober 2008 in staat moet worden geacht de eigen arbeid te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij al sinds 2005 klachten heeft aan de rechterschouder, waarvoor zij zich bij haar huisarts heeft gemeld en door een fysiotherapeut wordt behandeld. Deze klachten zijn van invloed op haar eigen werk, dat schouderbelastend is. Voorts heeft zij gesteld dat zij ten gevolge van whiplashklachten na een auto-ongeval in 2006 met de reeds aanwezige schouderklachten niet meer in staat is haar eigen werk te doen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als afdelingsassistente in een ziekenhuis, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv op basis van de voorhanden gegevens voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk.

4.2. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde medische gronden onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar arbeid. In zijn rapportage van 4 november 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de klachten van de rechterschouder en nek in combinatie met spierspanningshoofdpijn apecifieke myogene klachten betreffen, waarbij geen sprake is van een onderliggende medische afwijking. Het eigen werk vormt geen zware belasting van nek, schouders/armen, zodat er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden is dit werk te vermijden. Ook de in bezwaar door appellante overgelegde brief van haar huisarts geeft volgens de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding voor de conclusie dat de arbeid van appellante boven haar belastbaarheid uitging, waarbij hij nog heeft opgemerkt dat de belasting die appellante in haar privésituatie heeft niet naast de arbeidsbelasting bezien kan worden als wegingsfactor tegenover de belastbaarheid. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 6 oktober 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Nu appellante haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat haar klachten van dien aard zijn dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

KR