Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-2660 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De beperkingen zijn niet onderschat. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2660 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 april 2010, 09/3812 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011, waar appellante – met bericht – niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T.A. Duijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 januari 2009 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 15 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 januari 2009 gegrond verklaard en haar WAO-uitkering met ingang van 23 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Zij heeft het bestreden besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat het Uwv eerst in de beroepsfase de juiste berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft gegeven, hoewel dit niet tot een andere klassenindeling heeft geleid.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat haar medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellante op het spreekuur onderzocht. Appellante heeft in bezwaar afgezien van het recht om te worden gehoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft na kennisname van het bezwaarschrift en de daarbij gevoegde medische stukken een oordeel gegeven over de belastbaarheid van appellante. Ondanks de wens van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts haar niet uitgenodigd voor een spreekuur, omdat volgens deze arts geen sprake was van twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts. De in bezwaar ingebrachte medische informatie stemde in het geheel overeen met de informatie die door de verzekeringsarts is bestudeerd en vormde geen aanleiding om een hernieuwd zelfstandig medisch onderzoek te verrichten, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Gegeven deze toelichting, en omdat niet is gebleken dat het medisch onderzoek in de primaire fase gebrekkig is geweest, is de Raad van oordeel dat het uitsluitend verrichten van dossierstudie door de bezwaarverzekeringsarts niet leidt tot de conclusie dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4.2.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De verzekeringsarts heeft na eigen onderzoek onder meer fysieke beperkingen aangenomen in verband met de klachten die appellante heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de in bezwaar ingebrachte medische gegevens niet leiden tot een herziening van het standpunt van de verzekeringsarts. De Raad ziet geen aanleiding het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad bij rapport van 7 mei 2009 genoegzaam beargumenteerd waarom er geen indicatie is voor het aannemen van een urenbeperking. In het in beroep ingebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 november 2009 is voorts voldoende gemotiveerd ingegaan op de door appellante aangevoerde beroepsgronden en ingebrachte brief van medisch adviseur dr. W.F. Eggink. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft Eggink niet gemotiveerd waarom er zwaardere beperkingen moeten worden vastgesteld en zijn in het verleden aangenomen beperkingen niet doorslaggevend voor een beoordeling per latere datum. Door appellante zijn in hoger beroep geen medische gegevens in het geding gebracht, die haar stelling ondersteunen dat zwaardere of andere beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen hadden moeten worden.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De onderbouwing hiervoor ziet de Raad in het rapport van de arbeidsdeskundige van 9 januari 2009 en in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 november 2009, waarin uitgebreid is ingegaan op de in beroep aangevoerde bezwaren. De Raad heeft geen aanleiding het oordeel daaromtrent van deze bezwaararbeidsdeskundige voor onjuist te houden.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

NK