Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-1399 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heriening WAO-uitkering. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen argumenten gevonden om meer psychische beperkingen aan te nemen omdat van een ernstig psychisch beperkend toestandbeeld geen sprake is. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1399 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 januari 2010, 09/2959 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere medische stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de stukken die namens appellante zijn ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. van den Buijs, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 10 september 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 18 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit), de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van

1 september 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe – wederom – aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd en dat zij, vooral op persoonlijk en sociaal functioneren, zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellante op het spreekuur onderzocht. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante op de hoorzitting gezien en haar medisch onderzocht. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hebben geen informatie van de behandelende sector opgevraagd aangezien de door appellante weergegeven informatie, de eigen onderzoeksbevindingen van die artsen en de reeds in het dossier aanwezige gegevens voldoende duidelijk zijn om een oordeel te geven over de belastbaarheid van appellante ten tijde van de datum in geding. Dit acht de Raad niet onzorgvuldig. Dat appellante heeft aangetoond dat zij ten tijde hier van belang onder psychische behandeling stond, betekent niet dat het achterwege laten van het opvragen van informatie van deze behandeling in het onderhavige geval afbreuk doet aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Raadpleging van de behandelende sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over diens beperkingen. Uit de stukken komt een dergelijke behandeling dan wel afwijkend standpunt niet naar voren. Ook de in hoger beroep ingebrachte verklaringen – daterend van voor de datum in geding – geven daarvan geen blijk.

4.2.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De verzekeringsarts heeft na eigen onderzoek fysieke en psychische beperkingen aangenomen in verband met de klachten die appellante heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. Hij heeft geen argumenten gevonden om meer psychische beperkingen aan te nemen omdat van een ernstig psychisch beperkend toestandbeeld geen sprake is. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, mede nu uit de in beroep en hoger beroep door appellante ingebrachte medische gegevens niet kan worden afgeleid dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv. In het spoor van de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de in hoger beroep ingebrachte medische gegevens geen nieuwe relevante feiten opleveren over het toestandbeeld van appellante ten tijde van de datum in geding, nu deze stukken betrekking hebben op een periode van voor deze datum.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

NK