Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-1711 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht ontstaan op WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De door appellant in hoger beroep ingebrachte brief van zijn psychiater leidt niet tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv, aangezien in die brief op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt wat de psychische toestand van appellant was ten tijde van de datum in geding. De geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1711 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 februari 2010, 09/621(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en is een nader medisch stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op het stuk dat namens appellant is ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Cornelisse, advocaat. Het Uwv heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 23 oktober 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 17 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat er voor appellant ingaande 27 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellant in beroep heeft gesteld geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellant dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 juli 2008. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. De arts van het Uwv heeft dossierstudie verricht, heeft appellant zelfstandig onderzocht en de bij de behandelend sector opgevraagde informatie betrokken bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant. Appellant is volgens deze arts aangewezen op rugsparend werk en gelet op de persoonlijkheidsstructuur van appellant is hij verder aangewezen op conflictarm werk en moet intensief werken met collega’s, klanten of patiënten vermeden worden. De bezwaarverzekeringsarts is voorts op basis van dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting en rekening houdend met de op 19 januari 2009 door psychiater

J.G. Upmeijer verstrekte informatie tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat het Uwv genoegzaam heeft toegelicht dat de voor appellant geduide functies passend zijn.

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft daartoe – wederom – aangevoerd dat hij zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld en verzoekt de Raad een deskundige te benoemen om zijn psychische beperkingen vast te laten stellen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De door appellant in hoger beroep ingebrachte brief van psychiater M.A.W. Verwielen van 16 december 2010 leidt de Raad niet tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv, aangezien in die brief op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt wat de psychische toestand van appellant was ten tijde van de datum in geding. Zo vermeldt Verwielen dat appellant zelden op de afspraken verschijnt, en geen enkel inzicht te hebben op het functioneren van appellant rond 27 oktober 2008, de datum in geding. Gelet hierop kan geen (doorslaggevende) waarde worden toegekend aan de door Verwielen voor appellant vastgestelde gaf-score van 40. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.3. Aldus uitgaande van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

NK