Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10-560 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Geen reden voor het aannemen van een urenbeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/560 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 december 2009, 08/1263 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G. de Jong, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T.A. Duijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 12 juli 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 augustus 2007 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld en aan (medische) informatie heeft overgelegd geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij ten gevolge van pijn en vermoeidheidsklachten zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 maart 2007. Dat tijdens eerdere beoordelingen van appellante zwaardere beperkingen zijn gesteld leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu in het algemeen geldt dat aan beoordelingen in het verleden slechts beperkte betekenis kan worden toegekend. De rechtbank heeft in het onderhavige geval geen aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in haar rapport van 21 januari 2008 voldoende is toegelicht waarom er geen reden (meer) bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat het Uwv genoegzaam heeft toegelicht dat de voor appellante geduide functies passend zijn.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist en daartoe -wederom- gesteld dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

4.1. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunen dat zij verdergaand beperkt is en dat de geduide functies niet geschikt zijn.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

JL