Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
09-1109 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ziekengeld ingevolge de ZW omdat er geen wijziging in betrokkenes medische situatie is vast te stellen ten opzichte van de eerdere Wet WIA-beoordeling en dat betrokkene geschikt moet worden geacht voor de maatgevende arbeid.

De al langer bestaande problematiek van betrokkene staat een werkhervatting in de laatst verrichte arbeid van groepsleerkracht voor 23 uur per week niet in de weg. Nu de Raad gelet op de beschikbare gegevens niet twijfelt aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad geen aanleiding om, zoals door appellante is verzocht, een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1109 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 januari 2009, 08/1856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Jacobs, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als groepsleerkracht voor 23 uur per week toen zij voor dit werk is uitgevallen per 5 januari 2004 met geleidelijk toenemende pijnklachten ten gevolge van een val in april 2003. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv haar meegedeeld dat zij vanaf 2 januari 2006 geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan krijgen omdat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet heeft appellante zich vervolgens per 7 september 2007 ziek gemeld met dezelfde pijnklachten als in 2004. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante op 6 december 2007 het spreekuur bezocht van verzekeringsarts C. Akagunduz. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat geen wijziging in haar medische situatie is vast te stellen ten opzichte van de eerdere Wet WIA-beoordeling en dat appellante geschikt moet worden geacht voor de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts heeft de ziekmelding per 7 september 2007 daarop niet geaccepteerd. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 7 september 2007 geen recht heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 10 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 december 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts Gommers appellante op het spreekuur van 25 februari 2008 psychisch heeft onderzocht, dossierstudie heeft verricht en de nadere informatie van de huisarts, revalidatiearts en anesthesioloog bij zijn beoordeling heeft meegewogen. De aanvullende medische informatie levert volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe medische gegevens op. Duidelijk wordt dat bij uitgebreid onderzoek door meerdere specialisten, zoals blijkt uit de informatie van de huisarts van 19 februari 2008, geen organisch substraat voor de pijnklachten is aangetoond. Ook bij lichamelijk onderzoek – van onder meer de anesthesioloog – zijn geen afwijkingen vastgesteld en is voorts bij appellante geen sprake van duidelijke psychopathologie. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de al langer bestaande problematiek van appellante een werkhervatting in de laatst verrichte arbeid van groepsleerkracht voor 23 uur per week, in de weg staat. Mitsdien is er geen aanleiding af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts Akagunduz, aldus de bezwaarverzekeringsarts Gommers.

3.4. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt naar het oordeel van de Raad, gelet op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 8 april 2009 en 30 augustus 2010, niet tot een andersluidend oordeel. De (pre-existente) ADHD-problematiek en de nachtelijke epileptische aanvallen van appellante hebben voorheen haar functioneren in haar werk niet in de weg gestaan. Bij psychiatrisch onderzoek zijn geen duidelijke afwijkingen gevonden en voor een dysthyme stoornis waren op de datum in geding geen aanwijzingen, nu zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts een dysthyme stoornis niet hebben kunnen vaststellen. Bij de indicatiestelling WSW zijn geen nieuwe medische gegevens ingebracht, waarbij de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat daarbij is afgegaan op de door appellante zelf ervaren klachten en beperkingen. De gestelde beperkingen kunnen volgens de bezwaarverzekeringsarts Gommers niet worden verklaard vanuit ziekte of gebrek. De Raad acht deze toelichting overtuigend en ziet geen aanleiding deze niet te volgen.

3.5. Nu de Raad gelet op de beschikbare gegevens niet twijfelt aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad geen aanleiding om, zoals door appellante is verzocht, een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

4. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv appellante op juiste gronden met ingang van 7 september 2007 ziekengeld heeft geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

TM