Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
09-4346 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld ingevolge de ZW op de grond dat appellant geschikt moet worden geacht voor zijn laatst verrichte functie van rozenplukker. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. In de in hoger beroep – zonder nadere medische onderbouwing – aangevoerde gronden, ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4346 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juli 2009, 08/8459 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Salhi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Voor appellant is verschenen mr. Salhi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als voltijds rozenplukker, heeft zich per 28 september 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet met psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur bezocht van de arts N. Wildenborg, voor het laatst op 20 augustus 2008. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 28 augustus 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als rozenplukker. Bij besluit van 20 augustus 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 28 augustus 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 3 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de arts Wildenborg appellant heeft onderzocht waarbij hij op de hoogte was van de door de behandelend psychiater gestelde diagnose dat bij appellant sprake is van een depressieve stoornis, éénmalig, matig en een aanpassingsstoornis, bij een GAF-score van 55. Op grond van zijn bevindingen is Wildenborg tot de conclusie gekomen dat bij appellant weliswaar sprake is van enige psychische beperkingen maar dat, gelet op de door appellant ingevulde werkomschrijving van 9 oktober 2007, de functie van rozenplukker geen grote psychische stress kent. Appellant is volgens hem dan ook volledig voor de werkzaamheden in deze functie geschikt te achten. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Admiraal het dossier bestudeerd en appellant onderzocht op het spreekuur van 1 oktober 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit de rapportage van 2 oktober 2008, gesteld dat bij appellant, onverlet de forse lijdensdruk en wellicht forse sociale problematiek, hoogstens milde psychopathologie bestaat, waarmee appellant over een ruime restcapaciteit moet beschikken. Hij heeft dan ook de conclusie van de verzekeringsarts – dat appellant geschikt moet worden geacht voor zijn laatst verrichte functie van rozenplukker – onderschreven.

3.4. In de in hoger beroep – zonder nadere medische onderbouwing – aangevoerde gronden, ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Daarbij tekent de Raad aan dat de bezwaarverzekeringsarts Admiraal in zijn rapportage van 11 september 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de brief van i-psy van 18 mei 2009 en de aangevoerde gronden geen nieuwe gezichtspunten opleveren. Er is onveranderd sprake van een matig ernstige depressie bij psychosociale problematiek en een GAF-score van 55. Tevens zijn de knieklachten bij het eigen onderzoek niet geobjectiveerd en zijn de hinderlijke bijwerkingen van de medicatie, onder de geschetste omstandigheden, overdag niet of nauwelijks te verwachten. Aanwijzingen voor een verminderd reactievermogen zijn noch door hemzelf noch door de arts Wildenborg waargenomen: concentratie, aandacht en geheugen waren ongestoord en zeker voldoende om de functie van rozenplukker te verrichten, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

4. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 28 augustus 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

TM