Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4785

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
09-2143 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Het herstel van de administratieve fout is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het College heeft de fout binnen een relatief korte termijn van vijf dagen hersteld. Uit de verklaringen die appellanten hebben afgelegd volgt dat appellanten ten tijde van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Het argument dat de woonsituatie van appellanten eerder is getoetst en akkoord bevonden gaat niet op, omdat de woonsituatie na de in april en augustus 2006 afgelegde huisbezoeken aan de woning van appellante steeds in onderzoek is gebleven. Beroep op van artikel 6, derde lid, van het EVRM faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/80

Uitspraak

09/2143 WWB

09/2144 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 april 2009, 08/3253 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 april 2009, 08/3255 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met het onderzoek in de gevoegde zaak met nr. 09/2167 WWB, plaatsgevonden op 4 januari 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder en mr. W.G.H. van de Wetering, werkzaam als zelfstandig adviseur. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

In de zaak 09/2167 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 november 1994 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme tip dat zij al jaren zou samenwonen met appellant is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit huisbezoeken aan de woning van appellante, het horen van getuigen en het verhoren van appellanten door de Politie Haaglanden. Uit de bevindingen van het onderzoek heeft het College geconcludeerd dat appellanten vanaf 1 januari 2005 een gezamenlijke huishouding voeren zonder het College daarvan op de hoogte te stellen. Hierdoor heeft appellante de ingevolge artikel 17 van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden en had zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 17 augustus 2007 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2007 beëindigd. Voorts is bij besluit van 22 augustus 2007 de bijstand van appellante over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 juli 2007 herzien (lees: ingetrokken) en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 31.339,54.

1.3. Bij een afzonderlijk besluit van eveneens 22 augustus 2007 is dit bedrag mede teruggevorderd van appellant.

1.4. Nadien heeft het College geconstateerd dat de bijstand niet had mogen worden beëindigd voordat het proces-verbaal van de Politie Haaglanden was ontvangen. Dit had moeten leiden tot de intrekking van het besluit van 17 augustus 2007. Bij besluit van 5 oktober 2007 is evenwel aan appellante medegedeeld dat het besluit van 22 augustus 2007 wordt ingetrokken. Bij twee afzonderlijke besluiten van 11 oktober 2007 zijn de besluiten van 17 augustus 2007 en 5 oktober 2007 ingetrokken, teneinde de in het besluit van 17 augustus 2007 neergelegde beëindiging van de bijstand ongedaan te maken en de gevolgen van het besluit van 22 augustus 2007 weer in het leven te roepen. Na ontvangst van het proces-verbaal van de politie Haaglanden is de bijstand van appellante bij besluit van 12 november 2007 alsnog per 1 november 2007 beëindigd.

1.5. Bij besluit van 21 april 2008 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 november 2007 gegrond verklaard en is de bijstand vanaf 1 november 2007 hersteld. Het bezwaar tegen het aan haar gerichte besluit van 22 augustus 2007 is ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 21 april 2008 is ook het bezwaar van appellant tegen het aan hem gerichte besluit van 22 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 21 april 2008 ongegrond verklaard.

3. De Raad stelt vast dat alleen de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 juli 2007 in geding is. De Raad komt, zich beperkend tot de aangevoerde gronden, tot de volgende beoordeling.

3.1. De aangevallen uitspraak 1

3.1.1. Appellante voert aan dat bij besluit van 5 oktober 2007 het besluit van 22 augustus 2007 is ingetrokken en dat het College niet kan terugkomen van die intrekking zonder dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het intrekken van het besluit van 5 oktober 2007, door de gemachtigde van appellanten aangeduid als “de intrekking van de intrekking”, zou daardoor ongeldig zijn.

3.1.2. De Raad is van oordeel dat het bij de intrekking van het aan appellante gerichte besluit van 22 augustus 2007 ging om een vergissing van het College. Bedoeld was om het besluit van 17 augustus 2007 in te trekken. Door een verschrijving is de verkeerde datum vermeld. Naar het oordeel van de Raad was het College bevoegd om deze administratieve fout te herstellen, zonder daarmee in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad acht daarbij van belang dat het College de fout binnen een relatief korte termijn van vijf dagen heeft hersteld. Voorts acht de Raad van belang dat naar zijn oordeel appellante aan het besluit van 5 oktober 2007 niet zonder meer het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat de intrekking en terugvordering van de bijstand over de in het besluit van 22 augustus 2007 genoemde periode definitief van de baan zou zijn. Daarvoor was het besluit van 5 oktober 2007 - dat automatisch was aangemaakt- te summier omdat uitsluitend werd vermeld dat het besluit van 22 augustus 2007 geheel of gedeeltelijk onjuist was en daardoor als vervallen moest worden beschouwd, zonder dat daarbij enige toelichting werd gegeven.

3.1.3. Appellante heeft bestreden dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Volgens haar verleende appellant enkel mantelzorg aan haar. Door haar chronische ziekte kon appellante ook niet altijd goed voor haar dochter zorgen, welke taak in dat geval door appellant werd overgenomen. Deze situatie was volgens appellante al eerder door het College onderzocht en akkoord bevonden. Gesteld is dat het verhoor van appellanten er alleen toe diende om onder druk dezelfde situatie anders te kunnen beoordelen. Appellante heeft een beroep gedaan op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, LJN BH0402 (Salduz). Omdat appellanten niet in de gelegenheid zijn gesteld om een advocaat bij de verhoren aanwezig te laten zijn, zou sprake zijn van strijd met artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.4. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

3.1.5. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

3.1.6. Vaststaat dat uit de relatie tussen appellanten kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding is derhalve bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

3.1.7. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat uit de verklaringen die appellanten op 14 augustus 2007 hebben afgelegd volgt dat appellanten ten tijde van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Zo heeft appellant verklaard dat hij in het voorjaar van 2005 zijn eigen huis is gaan onderverhuren en dat hij sindsdien vrijwel elke nacht bij appellante en hun kinderen slaapt. Appellante heeft verklaard dat appellant in januari 2005 bij haar is ingetrokken. Appellanten zijn naderhand op hun verklaringen teruggekomen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt in het algemeen uitgegaan van een in eerste instantie afgelegde verklaring. Er wordt weinig betekenis toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. De Raad stelt vast dat de processen-verbaal van de verhoren van appellanten door de verbalisanten op ambtseed/ambtsbelofte zijn opgemaakt en dat deze door appellanten per bladzijde zijn getekend.

3.1.8. De Raad is met het College van oordeel dat het argument dat de woonsituatie van appellanten eerder is getoetst en akkoord bevonden niet opgaat, omdat de woonsituatie na de in april en augustus 2006 afgelegde huisbezoeken aan de woning van appellante steeds in onderzoek is gebleven. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat een gezamenlijke huishouding op die momenten niet kon worden bewezen, maar dat er voldoende reden was om het onderzoek voort te zetten. Van een mededeling aan appellanten dat de woonsituatie akkoord is bevonden, is niet gebleken.

3.1.9. Ten aanzien van het betoog van appellante dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in de strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs niet door het College in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak zoals bijvoorbeeld blijkend uit zijn uitspraak van 8 juni 2010, LJN BH7232, waaruit volgt dat dit slechts het geval is indien bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is geen sprake van dat de verklaring van appellante op een dergelijke wijze is verkregen. Niet gebleken is dat bij het verhoor van appellanten sprake is geweest van ontoelaatbare druk.

3.1.10. Appellant heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat getuige [getuige] hem een hak heeft willen zetten door een voor hem belastende verklaring af te leggen. [getuige] heeft verklaard dat zij in de periode maart 2005 tot maart 2006 heeft samengewoond met haar toenmalige vriend in de woning van appellant en dat appellant daar toen niet woonde. De Raad stelt vast dat de verklaring van deze getuige overeenkomt met de verklaring die appellant zelf heeft afgelegd. Appellant heeft immers verklaard dat hij zijn eigen huis in het voorjaar van 2005 is gaan onderverhuren. Uit de getuigeverklaring blijkt dat het gaat om een kleine tweekamerwoning bestaande uit een woon- en een slaapkamertje, zodat niet aannemelijk is dat appellant daar samen met zijn onderhuurder woonde. De stelling van appellant dat hij vaak in andere plaatsen in Nederland verbleef, heeft hij niet kunnen onderbouwen. In hoger beroep is nog een verklaring van zijn werkgever overgelegd over diverse periodes in 2005, 2006 en 2007 dat appellant in verband met zijn werk in de kost zat in andere plaatsen en dus niet bij appellante kan hebben gewoond. Blijkens die verklaring gaat het echter slechts om enkele dagen of een enkele week, zodat hieraan voor het feitelijk hoofdverblijf van appellant geen betekenis van belang toekomt.

3.2. De aangevallen uitspraak 2

3.2.1. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het aan hem gerichte besluit op bezwaar van 21 april 2008 ongegrond verklaard en de in de aangevallen uitspraak 1 gegeven overwegingen herhaald. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB, de aan appellante ten onrechte verstrekte bijstand mede van appellant kan worden teruggevorderd.

3.2.2. De in hoger beroep aangevoerde gronden tegen de aangevallen uitspraak 2 zijn dezelfde als die zijn aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak 1. De Raad verwijst voor een beoordeling van die gronden naar hetgeen onder 3.1 is overwogen.

3.3. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD